Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
29.3.3 Niet versus geen, niemand versus niet iemand
Zinsnegatie wordt vaak door het zinsbijwoord niet uitgedrukt, maar in andere gevallen door een lidwoordachtig element als geen of door een voornaamwoord als niemand. Wat bepaalt de keuze? En soms gebruiken we toch niet een in plaats van geen, of niet iemand in plaats van niemand. Wanneer is dat, en wat zijn de betekenis- en gebruiksverschillen als er twee varianten mogelijk zijn?
Verder lezen
Algemene tendensen
In het algemeen staat de negatie zo vroeg mogelijk in de zin. Als een zin een onbepaalde zelfstandignaamwoordgroep (met een of zonder lidwoord) of een andere onbepaalde uitdrukking (bijvoorbeeld ooit of ergens) bevat, dan wordt de negatie daarop uitgedrukt (wat resulteert in nooit en nergens). Zo zijn de (b)-voorbeelden hieronder de (meest neutrale) ontkenningen van de (a)-voorbeelden erboven:
1aIemand heeft het voorzien op mijn fiets.
bNiemand heeft het voorzien op mijn fiets.
2aEr staat een fiets in de gang.
bEr staat geen fiets in de gang.
3aEr staan fietsen in de gang.
bEr staan geen fietsen in de gang.
4aIk heb mijn fiets ergens laten staan.
bIk heb mijn fiets nergens laten staan.
Deze voorkeur voor negatieve zinsdelen betekent niet dat de combinatie van niet plus het onbepaald lidwoord een of een ander onbepaald woord zoals iemand of ergens helemaal onmogelijk is: naast (4b) is ook (5) een manier om de ontkenning van (4a) uit te drukken:
5Ik heb mijn fiets niet ergens laten staan.
De keuze voor een bijzondere vorm (niet ergens in plaats van nergens) brengt vaak echter wel een bijzondere betekenis teweeg: (5) is alleen te interpreteren als een geval van radicale ontkenning, waarmee een suggestie of vooronderstelling dat ik mijn fiets ergens heb laten staan van de hand gewezen wordt. Op vergelijkbare wijze ligt bij (6), waarin de negatie wordt uitgedrukt met niet in plaats van met niemand zoals in (1b), een bijzondere interpretatie (er is één specifiek persoon die het niet op mijn fiets voorzien heeft) voor de hand:
6Iemand heeft het niet voorzien op mijn fiets
Er zijn nog andere, deels niet goed begrepen, factoren die een rol spelen bij de keuze tussen geen (enzovoort) of niet plus een: geen is bijvoorbeeld in het algemeen niet mogelijk als de onbepaalde zelfstandignaamwoordgroep deel is van een voorzetselconstituent, of als die een specifieke lezing heeft:
7*Ik houd van geen kaas.uitgesloten
8?Er staat een fiets niet in de gang.twijfelachtig
9Er staat een fiets niet in de gang - is Machteld nog niet thuis?specifieke lezing
Soms kan een zin op verschillende manieren negatief gemaakt worden, in andere gevallen is er maar één mogelijkheid, in weer andere gevallen corresponderen verschillende manieren van uitdrukken met verschillende betekenissen. Beide varianten (die met niet en die met geen) zijn bijvoorbeeld mogelijk bij zelfstandignaamwoordgroepen met een categoriale lezing (10), en NPs met een nadere bepaling (11):
10aHij begrijpt wiskunde niet.
bHij begrijpt geen wiskunde.
11aZe hebben hier geen auto onder de tienduizend euro.
bZe hebben hier niet een auto onder de tienduizend euro.
Een + onderliggende negatie = geen?
Verdieping
Een + onderliggende negatie = geen?
Er is een traditie om vormen als geen en niemand op te vatten als het resultaat van samensmelting van een onderliggende negatie met een tot geen, met iemand tot niemand, met iets tot niets, met ergens tot nergens en met ooit tot nooit. Deze redenering leidt evenwel gemakkelijk tot circulariteit. Volgens dezelfde redenering immers moet zonder dan ontstaan zijn uit niet met, zelden misschien wel uit niet vaak, dichtbij uit niet ver van, slecht voor niet goed. Maar zou vaak dan niet opgevat moeten worden als niet zelden?
De regel is dus dat negatie in het algemeen zo vroeg mogelijk wordt uitgedrukt, en niet een soort van laatste uitweg vormt. Dat is evenwel niet helemaal correct in het licht van de volgende observaties:
  • het element niet is gebruikelijker bij een onbepaalde naamwoordelijke groep naarmate die een uitvoeriger bepaling bevat:
    12a*Er is niet een verschil.uitgesloten
    bEr is niet een verschil dat de moeite waard is.
  • De vorm niet is verplicht als het ontkende element een meervoudig lijdend voorwerp is op de eerste zinsplaats, of een stofnaam:
    13a*Geen bloemen verkopen ze hier.uitgesloten
    bBloemen verkopen ze hier niet.
    14a*Geen limonade lusten de kinderen.uitgesloten
    bLimonade lusten de kinderen niet.
  • Op vaste uitdrukkingen na, treffen we zelden geen aan in voorzetseluitdrukkingen:
    15a*Hij houdt van geen kaas.uitgesloten
    bHij houdt niet van kaas.
    16aZe is zich van geen kwaad bewust.
    bHij is met geen zeven paarden zijn bed uit te krijgen.
In België komt geen soms ook voor in voorzetselgroepen, een gebruik dat in Nederland beperkt is tot vaste uitdrukkingen (zie hierboven). De status van het verschijnsel in het Belgisch Nederlands is onduidelijk.
17Wie een afspraak maakt bij de dokter, maar over geen openbaar vervoer, kinderen, vrienden of familie beschikt, kan een beroep doen op de vrijwilligers van het Minder Mobielen Vervoer. in BN: ST? Deze constructie komt geregeld voor in standaardtalige contexten in het Belgische Nederlands. Het is echter op basis van de beschikbare gebruiksdata niet duidelijk of ze tot de standaardtaal behoort. De Standaard
Onbepaalde zelfstandige naamwoordgroepen met enkel(e) hebben hun eigen systematiek. Ze kunnen bijvoorbeeld gemakkelijker in voorzetselgroepen voorkomen:
18Ik houd van geen enkele kaas.
19Wie over geen enkel openbaar vervoer beschikt ...
Iets vergelijkbaars geldt wellicht ook voor zelfstandige naamwoordgroepen met ander(e), vergelijk:
20Ik heb de stukken bestudeerd en ik kan tot geen andere conclusie komen.
21In geen andere literatuur dan de Japanse is zelfmoord een zo belangrijk thema.
In vraagzinnen
Verplaatsen en integreren met 29.5? [we laten hem hier staan]In vraagzinnen correspondeert verschil in uitdrukken van de negatie in het algemeen met betekenisverschil. De negatie kan bij ja/nee-vragen immers een afwijkende functie hebben: bevat de vraag een ontkennend woord, dan ontkent de spreker of schrijver daarmee in veel gevallen niet de inhoud van de zin, maar geeft hij juist te kennen dat hijzelf denkt of vermoedt, dat wat hij vraagt in werkelijkheid het geval is.
Zie hiervoor ook 29.3.2 Negatie en zinstype.
Met de vraag Is dat geen groot verschil? geeft de spreker of schrijver aan, dat hijzelf van mening is dat het juist wel een groot verschil is. Bevat de vraag nu een onbeklemtoond ontkennend woord, dan wordt daarmee geanticipeerd op een bevestigend antwoord. De spreker of schrijver denkt dat ook de hoorder of lezer van mening zal zijn dat het een groot verschil is. Bevat de vraag een beklemtoond ontkennend woord, dan anticipeert de spreker of schrijver juist op een ontkennend antwoord. Hij gaat ervan uit dat de hoorder of lezer niet zijn mening deelt.
22aIs er niets goedkópers? (verwacht antwoord: ja, er is iets goedkopers)
bIs er niet iets goedkópers? (verwacht antwoord: ja, er is iets goedkopers)
cIs er níets goedkopers? (verwacht antwoord: nee, er is niets goedkopers)
dIs er níet iets goedkopers? (verwacht antwoord: nee, er is niets goedkopers)
23aHeb jij nooit méegelopen in een demonstratie tegen kernenergie? (verwacht antwoord: ja, ik heb inderdaad meegelopen met zo'n demonstratie)
bHeb jij niet ooit méegelopen in een demonstratie tegen kernenergie? (verwacht antwoord: ja, ik heb inderdaad meegelopen met zo'n demonstratie)
cHeb jij nóoit meegelopen in een demonstratie tegen kernenergie? (verwacht antwoord: nee, ik heb nooit meegelopen met zo'n demonstratie)
dHeb jij niet óoit meegelopen in een demonstratie tegen kernenergie? (verwacht antwoord: ja, ik heb inderdaad meegelopen met zo'n demonstratie)
Literatuur
Klooster (2001), Paardekooper (1986), Broekhuis (Taalportaal) , Zwarts (1981), Leys (2001)Van der Wouden (1988), Seuren (1976), Kraak (1966), Hoeksema (2005)
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Ton van der Wouden januari 2021
    Interessante links