Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
18.5.7.2.ii Plaatsgebonden groepsvormende werkwoorden
Verder lezen
1
De plaatsgebonden groepsvormende werkwoorden (zie voor deze term [18.5.7.1]) kunnen in het algemeen vrij gemakkelijk met elkaar gecombineerd worden. Er kunnen er wel vier à vijf achter elkaar in een eindgroep voorkomen. Hoewel de volgorde bepaald wordt door de betekenis van de zin, kan het soms nuttig zijn te weten welke plaatsen deze werkwoorden (meestal) innemen. Hieronder worden de verschillende plaatscategorieën die wij onderscheiden, behandeld in de volgorde van rechts naar links, dat wil zeggen dat een werkwoord dat behoort tot categorie [1] het meest rechts in de eindgroep voorkomt en een werkwoord uit categorie [7] het meest links. Deze volgorde kan overigens in concrete zinnen natuurlijk doorkruist worden door het vrij plaatsbare (voltooid of passief) deelwoord (in de hieronder volgende voorbeelden meestal het meest links geplaatst). Verder dient men goed voor ogen te houden dat 'meest rechts' enz. alleen betrekking heeft op de plaats van groepsvormende werkwoorden. Een zelfstandig werkwoord in de vorm van een infinitief komt daar dan nog achter te staan (zie de voorbeelden 2 en volgende hieronder).
In de praktijk van het taalgebruik staat in een concrete zin nooit op elke mogelijke (abstracte) plaats in de eindgroep een groepsvormend werkwoord, vaak zullen er maar één of twee groepsvormende werkwoorden voorkomen. In de gebruikte zinnen is er wel naar gestreefd zoveel mogelijk plaatsen concreet te bezetten. Uit stilistisch oogpunt is op deze zinnen dikwijls heel wat aan te merken; ze zijn uitsluitend bedoeld als voorbeelden van de syntactische structuur van de eindgroep.
  1. Het hulpwerkwoord van het passief worden;
    Het hulpwerkwoord worden staat het meest naar rechts in de eindgroep:
    1De wet is niet gewijzigd, zodat de president ook in de toekomst na een vierjarige ambtstermijn herkozen zal kunnen blijven worden.
  2. De groepsvormende werkwoorden liggen, zitten, hangen(onovergankelijk), staan en lopen (als in [18.5.4.2]);
    Deze werkwoorden kunnen geacht worden op de tweede plaats van rechts te staan. Omdat ze vrijwel niet met het passieve worden te combineren zijn, komt het er in de praktijk op neer dat ze van de groepsvormende werkwoorden het meest rechts staan:
    2Ik geloof dat ze wel de hele dag zou hebben kunnen blijven liggen slapen.
    3Ik vind het dapper dat hij in zo'n omgeving heeft durven gaan staan preken.
    (Voor het wegvallen van te zie men [18.5.4.1/ii].)
  3. De groepsvormende werkwoorden blijven, gaan en komen (zie [18.5.4.3]);
    Deze werkwoorden staan op de derde plaats van rechts. Een voorbeeld met komen is:
    4Zou jij het een goed idee gevonden hebben, als zo'n snotneus op zo'n belangrijke vergadering zou hebben mogen komen zitten meepraten?
    Voor voorbeelden met blijven zie 1 en 2, met gaan zie 3.
    Ook het werkwoord zijn met infinitief zonder te (zie [18.5.4.15/i]) wordt wel tot deze plaatscategorie gerekend. De combinatiemogelijkheden zijn in dit geval echter nogal beperkt. Het maximum is wel bereikt in zin 5, waaruit in ieder geval blijkt dat het eigenlijk-modale werkwoord zal (behorend tot categorie [7]) en het hulpwerkwoord van tijd zijn (categorie [5]) links van de infinitief wezen staan:
    5Ik denk dat vader wel weer zal zijn wezen vissen.informeel
  4. De oneigenlijk-modaal gebruikte hulpwerkwoorden van modaliteit (zie [18.5.4.4/iii]), alsmede (be)horen, dienen (zie [18.5.4.6]), durven (zie [18.5.4.7]), weten (zie [18.5.4.12]) en het eigenlijk-modaal gebruikte zullen (zie [18.5.4.4/iif]);
    Deze werkwoorden staan op de vierde plaats van rechts (de middelste) van de eindgroep. Voorbeelden met moeten, hoeven en willen zijn respectievelijk:
    6Ik vind dat hij niet had moeten blijven staan praten. ('het praten was afkeurenswaardig')
    7Ik vind dat hij niet had hoeven blijven staan praten. ('het praten was overbodig')
    8Je denkt toch niet dat ik hier zou hebben willen komen zitten duimen draaien?
    Voor voorbeelden met kunnen zie 1 en 2, met mogen zie 4, met durven zie 3.
    De werkwoorden (be)horen en dienen zijn synoniemen van moeten en nemen dezelfde plaats in de eindgroep in als dat werkwoord. In plaats van 6 is dan ook mogelijk:
    9Ik vind dat hij niet had (be)horen/dienen te blijven staan praten.
    De combinatiemogelijkheden van weten zijn beperkt. In de betekenis 'in staat zijn' is mogelijk:
    10Ik geloof dat zij zich in die omstandigheden wel zou hebben weten te redden.
    In de betekenis 'weten waar':
    11Ik denk dat ik dat boek nooit zou hebben weten te staan.
    Het eigenlijk-modale (en het hulpwerkwoord van tijd) zullen hoort eigenlijk tot de categorie [7] en staat als zodanig het meest naar links in de eindgroep. Dit is bijvoorbeeld het geval in de zinnen 12a en 13a, waarin een niet-werkelijkheid wordt uitgedrukt. Ter uitdrukking van deze betekenis is echter ook een constructie mogelijk als in 12b en 13b. Daar kan zullen geacht worden op de plaats van de oneigenlijk-modale werkwoorden te staan; het staat in ieder geval rechts van het hulpwerkwoord hebben . De beide constructiemogelijkheden worden behandeld in [18.5.4.4/i2].
    12aIk las in de krant dat de vorig jaar vermoorde popzanger gisteren zijn 41ste verjaardag zou hebben gevierd.
    bIk las in de krant dat de vorig jaar vermoorde popzanger gisteren zijn 41ste verjaardag had zullen vieren.
    13aIk hoor dat hij op reis zou zijn gegaan, maar er is blijkbaar iets tussen gekomen.
    bIk hoor dat hij op reis had zullen gaan, maar er is blijkbaar iets tussen gekomen.
  5. De hulpwerkwoorden van tijd hebben en zijn;
    De hulpwerkwoorden van tijd hebben en zijn staan op de vijfde plaats van rechts (de derde van links). Het is moeilijk voorbeelden te bedenken waarin de plaatsen links van het hulpwerkwoord allebei bezet zijn. Mogelijk zijn:
    14Als hij echt zou blijken te hebben zitten luieren, dan zwaait er wat!
    15Aangezien de patiënt in een dergelijke situatie kan líjken te zijn gestorven, is het zaak ademhaling en polsslag te blijven controleren.
    Meer voorbeelden met hebben waarin niet de beide plaatsen links ervan, maar wel één of meer plaatsen rechts ervan bezet zijn, zijn te vinden in 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12b en 13b.
    Voor een regionale afwijking in de plaatsing van hebben en zijn als hulpwerkwoorden van tijd zie men de opmerking aan het eind van deze subparagraaf.
  6. De hulpwerkwoorden van modaliteit met infinitief met te (zie [18.5.4.5]);
    De werkwoorden blijken, lijken, schijnen , heten, dunken en voorkomen (als hulpwerkwoorden van modaliteit) staan op de zesde plaats van rechts (de tweede van links). Voorbeelden met schijnen en heten met enkele plaatsen rechts ervan bezet, zijn:
    16Ik hoor dat die wiskundige nooit goed schijnt te hebben kunnen rekenen.
    17Dit is iemand die tot het bittere einde heet te willen blijven doorgaan.
  7. De eigenlijk-modaal gebruikte hulpwerkwoorden van modaliteit met een infinitief zonder te (zie [18.5.4.4/ii]) en het hulpwerkwoord van tijd zullen;
    Deze hulpwerkwoorden staan op de zevende plaats van rechts (het meest naar links) in de eindgroep. Voorbeelden van het eigenlijk-modale zullen zijn te vinden in de zinnen 2, 4, 5, 8, 10, 11, 12a, 13a en 14. Een voorbeeld van het hulpwerkwoord van tijd zullen is te vinden in 1. Een voorbeeld met kunnen is 15. Voorbeelden met moeten en hoeven zijn:
    18Ik denk dat Carla moet hebben willen komen lopen, want met de tram was ze allang hier geweest.
    19Carla is inderdaad erg laat, maar daarom vind ik nog niet dat ze hoeft te hebben willen komen lopen.
    Een voorbeeld waarin het eigenlijk-modale mogen deel uitmaakt van een enigszins omvangrijke eindgroep, is niet te geven. Uit 20 blijkt wel dat het als persoonsvorm in een zin met een vrij uitgebreide eindgroep (waarin ook een oneigenlijk-modaal werkwoord) kan staan:
    20Mocht ze hebben willen gaan liggen slapen, dan had ik heus wel gezegd dat dat niet kon.
    Een voorbeeld met het eigenlijk-modale willen waaruit duidelijk blijkt welke plaats het in de eindgroep inneemt, is door de beperkte combinatiemogelijkheden niet te geven.Uit de hierboven gegeven volgorderegels vloeit voort wat bij de behandeling van de hulpwerkwoorden van modaliteit (zie [18.5.4.4/i]) impliciet al aangegeven is, namelijk dat de eigenlijk-modale werkwoorden normaliter links van de oneigenlijk-modale staan. Zo is in 21 kunnen eigenlijk- en moeten oneigenlijk-modaal:
    21Ik heb mijn rijbewijs maar meegenomen, omdat ik wel kan moeten rijden. ('het is mogelijk dat ik genoodzaakt ben te rijden')
    In 22 is moeten eigenlijk- en kunnen oneigenlijk-modaal:
    22Ik weet dat hij al jaren een rijbewijs heeft, dus dat hij wel moet kunnen rijden. ('het is waarschijnlijk dat hij in staat is te rijden')
    Het is overigens ook mogelijk dat twee oneigenlijk-modale werkwoorden in een zin voorkomen. Zoals altijd wordt de volgorde door de betekenis van de zin bepaald. In 23 zijn zowel moeten als kunnen oneigenlijk-modaal:
    23In haar functie moet ze haar baas wel eens met de auto ergens heen brengen, zodat ze wel moet kunnen rijden. ('ze is wel verplicht de kunst van het rijden te beheersen')
Samenvattend geven we hieronder in schema 18.2 een overzicht van de onderscheiden plaatscategorieën. In dat schema is een aantal van de gegeven voorbeelden opgenomen. Uit het schema moge eens te meer blijken dat in concrete zinnen niet alle (abstracte) plaatsen tegelijk opgevuld kunnen (of hoeven te) zijn.
schema 18.2: De volgorde van de groepsvormende werkwoorden in de werkwoordelijke eindgroep.
[zie bijlage]
2
In [18.5.7.1] is vermeld dat de plaatsgebonden groepsvormende werkwoorden "door hun betekenis sterk aan een bepaalde plaats gebonden zijn". Dat wil beslist niet zeggen dat de hierboven in 1 beschreven volgorde in de eindgroep voor alle gevallen vast ligt. Juist op grond van de betekenis kunnen er variaties optreden.
Zo heeft 24 de normale volgorde, omdat willen tot categorie [4] en blijven tot categorie [3] behoort:
24Ik merk steeds dat ze wil blijven werken.
Dit is ook in overeenstemming met de betekenis 'haar wens is door te gaan met werken': wil zegt iets over blijven werken . Toch is ook 25 niet ondenkbaar, bijv. gezegd van een zieke of gehandicapte die steeds maar de wens tot werken blijft koesteren:
25Ik merk steeds dat ze blijft willen werken.
Hier zegt blijft dan ook iets over willen werken.
Een ander maar vergelijkbaar geval vormen de zinnen 26a en 26b:
26aIk hoor dat Jan die brief heeft moeten schrijven.
bIk hoor dat Jan die brief moet hebben geschreven.
In 26a zegt heeft iets over moeten schrijven : de schrijfopdracht ligt in een periode vóór het spreekmoment. De volgorde is in overeenstemming met de in 1 gegeven regels, aangezien het hulpwerkwoord van tijd hebben (categorie [5]) vóór het oneigenlijk-modale moeten (categorie [4]) hoort te staan.
In 26b staat moet vóór hebben ; het ligt dus voor de hand moet als eigenlijk-modaal te interpreteren (het meest naar links in de eindgroep staande). Dat is ook heel goed mogelijk; de betekenis van zin 26b is dan: 'Ik hoor dat Jan die brief hoogstwaarschijnlijk geschreven heeft'. Een andere betekenis is echter ook denkbaar. In de praktijk zal er dan wel altijd een tijdsbepaling in de zin voorkomen en zal de context de betekenis duidelijk maken. De zin zou bijv. kunnen luiden:
27Ik hoor dat Jan die brief vóór morgenochtend tien uur moet hebben geschreven, anders gaat de zaak niet door.
Hier staat het oneigenlijk-modale moeten vóór het hulpwerkwoord van tijd hebben ('het is noodzakelijk dat het schrijven voltooid is'); deze volgorde is dus anders dan de normale, maar daarom nog niet uitgesloten.
Het principe dat de volgorde van de groepsvormende werkwoorden bepaald wordt door de betekenis van de zin, verklaart ook dat twee plaatsgebonden groepsvormende werkwoorden die tot dezelfde categorie behoren, gescheiden kunnen worden door een niet-plaatsgebonden groepsvormend werkwoord, zoals bijv. het geval is in de theoretisch mogelijke zin:
28Jan zou Piet wel eens hebben willen zien durven blijven staan kijken.
De werkwoorden willen en durven horen allebei tot de categorie [4].Willen zegt iets over zien, dat als geïmpliceerd onderwerp 'Jan' heeft, terwijl zien iets zegt over durven, waarvan het geïmpliceerde onderwerp 'Piet' is. Durven ten slotte zegt iets over blijven staan kijken.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
In regionaal taalgebruik (vooral in het westelijke deel van België) hebben de hulpwerkwoorden van tijd hebben en zijn een plaatsingsmogelijkheid die niet uit het voorafgaande valt af te leiden. Deze werkwoorden kunnen namelijk als persoonsvorm én als infinitief na twee infinitieven voorkomen, wat in de standaardtaal niet mogelijk is. Voorbeelden met een persoonsvorm zijn:
iaIk denk dat hij dat nog heeft kunnen verbranden.
bIk denk dat hij dat nog kunnen verbranden heeft.regionaal
iiaIk zeg je toch dat Jan het is gaan halen.
bIk zeg je toch dat Jan het gaan halen is.regionaal
Omdat hebben en zijn als hulpwerkwoorden van tijd voorafgegaan kunnen worden door een hulpwerkwoord van modaliteit (evenals in de standaardtaal; zie ii 1), kunnen ze ook in de vorm van een infinitief na twee andere infinitieven voorkomen:
iiiaIk denk dat hij dat zal hebben laten liggen.
bIk denk dat hij dat zal laten liggen hebben.regionaal
ivaDenkt u dat hij kan zijn gaan kijken?
bDenkt u dat hij kan gaan kijken zijn?regionaal
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links