Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.4.8.3 De onderlinge volgorde van bijwoordelijke bepalingen
Verder lezen
1
Zijn er meer bijwoordelijke bepalingen in het middenstuk van de zin, dan kan men de volgende tendens voor de onderlinge plaatsing ervan vaststellen.
De bijwoordelijke bepaling van tijd gaat gewoonlijk aan de andere bijwoordelijke bepalingen (dus ook die van plaats) vooraf, bijv.:
1Ze |zouden| dat morgen op school af|werken. |
2Hij |bracht| zijn vakantie vorig jaar in Zweden door.
3Hij |wilde| nooit ergens |blijven slapen.|
Vergelijk met 2 echter 4:
4aHij |bracht| in Zweden vorig jaar zijn vakantie door.
In deze laatste zin staat de plaatsbepaling vóór de tijdsbepaling. Deze zin heeft niet dezelfde betekenis als 2. In 4 schept in Zweden een algemeen ruimtelijk kader voor de rest van de zin. Tijdsbepaling en lijdend voorwerp zijn informatief prominenter. Tijds- en plaatsbepaling kunnen ook samen een algemene kaderscheppende functie vervullen, bijv.:
5aHij |bracht| vorig jaar in Zweden zijn vakantie door.
Nu wordt het lijdend voorwerp alleen als informatief belangrijk voorgesteld. In 5 hebben de bepalingen weer als volgorde: tijd vóór plaats.
Bepalingen met een kaderscheppende functie kunnen ook op de eerste zinsplaats staan (zie [21·3·2·1/ii]) en bovendien soms vóór het onderwerp in het middenstuk (zie [21·4·8·2]).
Een vergelijkbaar betekenisverschil doet zich voor ten aanzien van het volgende paar zinnen:
6aLuk |heeft| vier uur buiten |gestudeerd.|
bLuk |heeft| buiten vier uur |gestudeerd.|
Zin 6b is een normaal antwoord op een vraag als 'wat heeft Luk buiten gedaan?', terwijl 6a een adequaat antwoord is op de vraag 'wat heeft Luk gedaan?'.
2
Een andere tendens is dat de aanwijzende bijwoorden van plaats hier, daar, ginder, ginds meestal zo ver mogelijk vooraan - dus vóór andere bepalingen -, maar nog achter de voornaamwoordelijke elementen staan, bijv.:
7Je |kunt| hem hier elke morgen de krant |zien lezen. |
8Wellicht |zullen| ze hen daar volgende week |ontmoeten. |
Ze kunnen wel verder naar achteren komen als het bijwoord een nabepaling bij zich heeft; vergelijk met 7:
9Je |kunt| hem elke morgen hier in het bureau de krant |zien lezen. |
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links