Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.3.2.8.iv.c.2 Werkwoorden van beweging
Verder lezen
Tot de werkwoorden die een beweging aanduiden behoren onder andere: dalen, dansen, glijden, hinkelen, huppelen, klimmen, kruipen, lopen, reizen, rennen, rijden, rollen, schrijden, springen, stappen, stijgen, stromen, strompelen, varen, vliegen, wandelen, zeilen
De bewegingswerkwoorden worden met hebben vervoegd als het handelingskarakter van de door het werkwoord uitgedrukte werking centraal staat, bijv.:
1Zo lang heb ik nog nooit gevlogen.
Ze worden met zijn vervoegd als de notie van (plaats) verandering (met het bereikte of te bereiken einddoel) op de voorgrond treedt, bijv.:
2Ik ben van Amsterdam naar Stockholm gevlogen.
De plaatsverandering moet in dit geval ófwel expliciet vermeld worden, ófwel impliciet aanwezig zijn. Zo is in 2 een richtingsbepaling aanwezig, evenals in 3:
3Ik ben in een uur naar de stad gelopen.
In zin 4 wordt de richtingsbepaling geïmpliceerd door de werkwoorden dalen (' naar beneden gaan') en stijgen ('naar boven gaan'):
4Het vliegtuig is eerst een beetje gedaald en vervolgens scherp gestegen.
Ook door het gebruik van een achtergeplaatst voorzetsel kan plaatsverandering worden uitgedrukt. Vergelijk 5a en 5b:
5aIk ben de stad in gelopen.
bIk heb in de stad gelopen.
Maar zelfs bij aanwezigheid van een (expliciete of impliciete) richtingsbepaling hoeft de notie verandering niet centraal te staan. In de volgende voorbeelden gaat de aandacht uit naar de (herhaalde) werking en dus wordt respectievelijk bij de werkwoorden vliegen en dalen en stijgen (vergelijk 7 met 4) het hulpwerkwoord hebben gebruikt - maar uiteraard niet bij landen:
6De maatschappij heeft tot voor kort ook op Nice gevlogen.
7We hebben misschien wel vijf keer gedaald en gestegen, voor we eindelijk geland zijn.
Het onovergankelijke werkwoord opschieten wordt zowel in de betekenis 'naar boven schieten' als in de betekenis 'vorderen, vooruitkomen' alleen met zijn vervoegd. Een voorbeeld met de tweede genoemde betekenis is:
8Ben je al goed opgeschoten?
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links