Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.4.2 Overzicht van de elementen in het middenstuk
Verder lezen
1
Rekening houdend met het in [21·1·2·1] uiteengezette principe van de informatieve geleding van de zin kunnen we de zinsdelen in het middenstuk (afgezien van de inherente elementen, die in [21·5] behandeld worden) grosso modo in drie groepen verdelen, die wat hun plaatsing betreft de volgende volgordetendens vertonen:
  1. Onderwerpen en voorwerpen die een relatief geringe informatieve waarde hebben, volgen, als ze al niet de eerste zinsplaats bezetten, doorgaans meteen op de eerste pool. Men kan er dan ook de in [21·3·2·1/i] opgesomde elementen aantreffen, te weten vooral bepaalde constituenten, waaronder de persoonlijke, aanwijzende en wederkerende voornaamwoorden.
  2. Hierna kunnen bijwoordelijke bepalingen komen, voor zover het geen inherent met het werkwoord verbonden elementen zijn.
  3. Dan komen de informatief belangrijke onderwerpen en voorwerpen, vooral die, welke als zodanig formeel gekarakteriseerd zijn (bijv. onbepaalde constituenten en meewerkende voorwerpen in de vorm van een voorzetselconstituent met aan).
Uiteraard hoeft niet steeds van elk van de drie groepen tegelijk een element aanwezig te zijn. Men dient het bovenstaande veeleer zo te lezen: áls in het middenstuk van een zin zowel een informatief minder belangrijk element als een informatief belangrijk element voorkomt, dan staan ze gewoonlijk in deze volgorde (i -iii). Indíen er in dezelfde zin ook nog een bijwoordelijke bepaling voorkomt, dan kan die daartussen staan (i-ii -iii). Hierbij moet opgemerkt worden dat bijwoordelijke bepalingen een zekere mate van vrijheid qua plaatsing kennen. In veel gevallen nemen ze echter wel een soort spilplaats in ten opzichte van de plaatsing van bepaalde tegenover onbepaalde constituenten (zie [21·4·8]).
De volgende voorbeelden demonstreren de genoemde tendens:
1We |hebben| Jan gisteren een boek |gegeven.|
2Morgen |wil| mijn zus met mijn moeder in de stad een nieuw hoedje |gaan kopen.|
3Er |schijnt| vanmorgen op de Antwerpsesteenweg een ernstig ongeluk |gebeurd te zijn. |
2
Binnen elk van de onder 1 onderscheiden groepen elementen kan meer dan één zinsdeel voorkomen. In dat geval zijn de volgende tendensen van belang:
  1. Persoonlijke voornaamwoorden hebben een lagere informatieve waarde dan aanwijzende en substantivische elementen; behalve in contrastieve zinnen staan ze steeds vóór eventuele bijwoordelijke bepalingen.
  2. Bepaalde en categoriale constituenten hebben over het algemeen een lagere informatieve waarde dan onbepaalde constituenten; van deze laatste de specifieke weer een lagere dan de niet-specifieke.
  3. Het onderwerp heeft meestal een lagere informatieve waarde dan de voorwerpen; het staat doorgaans het meest links in het middenstuk.
Hieronder volgen enkele voorbeelden ter illustratie van de genoemde tendensen.
(ad [a]) Persoonlijke voornaamwoorden, die terugwijzen naar een element dat uit context of situatie bekend is, en bijgevolg meestal een geringe informatieve waarde hebben, staan altijd vóór de bijwoordelijke bepalingen als die aanwezig zijn. Enkel met een sterk accent (bijv. in een contrastieve context) kunnen ze erna komen. Dat accent wijst er juist op dat het voornaamwoord voor de spreker een grotere informatieve waarde heeft. Vergelijk:
4a(Jan zei) |dat| hij 'm gisteren op|gebeld had.|
b(Jan zei) |dat| hij gisteren 'm op|gebeld had. |uitgesloten
c(Jan zei) |dat| gisteren hij 'm op|gebeld had. |uitgesloten
d(Jan zei) |dat| hij gisteren hém op|gebeld had. |
(ad [b]) Als tweede illustratie vergelijken we de plaatsing van bepaalde en onbepaalde naamwoordelijke constituenten met een substantivische kern. Een onbepaalde naamwoordelijke constituent als (lijdend) voorwerp komt meer naar achteren dan een bepaalde naamwoordelijke constituent, die meer plaatsingsmogelijkheden kent. Zie de zinnen:
5aSofie |wilde| dat artikel vandaag |gaan lezen.|
bSofie |wilde| vandaag dat artikel |gaan lezen.|
6aSofie |wilde| vandaag een artikel |gaan lezen.|
bSofie |wilde| een artikel vandaag |gaan lezen.|in de betekenis van 6a
In zin 5a behoort dat artikel tot het gespreksonderwerp; het sluit bijv. aan bij een gesprek over een nieuw artikel van een of andere collega-medewerker, waarvan in de rest van de zin gezegd wordt dat Sofie het wilde gaan lezen, en wel vandaag (de zin heeft dan een accent op lezen, dan wel op vandaag). Precies hetzelfde kan de spreker ook meedelen met de volgorde van 5b. Er ligt dan echter wel een nadruksaccent op vandaag. We hebben in dat geval te maken met een zin die afwijkt van de strikte links-rechts-ordening doordat het informatief belangrijkste element meer links in de zin staat.
Bij een neutrale accentuering van de zin behoren de (bepaalde) naamwoordelijke constituent dat artikel in 5b en de (onbepaalde) naamwoordelijke constituent een artikel in 6a tot de informatieve kern van de zin, in 6a is het gegeven bovendien nieuw (in de betekenis van 'niet-bekend'). Omschrijvingen van de zinnen zouden respectievelijk kunnen zijn 'wat Sofie vandaag wilde gaan doen is dat artikel lezen (je weet wel, waar we het over hadden)' (accent op artikel of op lezen) en 'Sofie wilde vandaag wat gaan lezen, en wel een artikel' (accent op artikel). Met deze laatste betekenis is de volgorde van 6b niet mogelijk.
Toch kunnen ook onbepaalde naamwoordelijke constituenten vooraan in het middenstuk staan. Het gaat dan om specifieke onbepaalde constituenten (zie hiervoor [14·3·1/2]). Vergelijk de zinnen:
7aEr |komen| geregeld een paar kinderen in onze tuin |spelen.|
bEr |komen| een paar kinderen geregeld in onze tuin |spelen.|
Zin 7a kan betekenen dat het geregeld zo is, dat enkele willekeurige (en telkens weer andere) kinderen in onze tuin komen spelen. De constituent een paar kinderen is dan niet-specifiek onbepaald. Zin 7b daarentegen zegt over een paar niet met name genoemde, maar toch steeds dezelfde, voor de spreker identificeerbare, kinderen (bijvoorbeeld die van de buurman), dat ze geregeld in onze tuin komen spelen. In dit laatste geval is de naamwoordelijke constituent een paar kinderen specifiek onbepaald. Een dergelijke constituent kan als uitgangspunt voor de rest van de mededeling fungeren en staat dan meer links in het middenstuk, al is plaatsing op de eerste zinsplaats - waarbij het presentatieve er in de zin achterwege blijft - meestal gewoner (vergelijk [21·3·2·1/i2]), bijv.:
8Een paar kinderen |komen| geregeld in onze tuin |spelen. |
Een specifiek onbepaalde lezing is, in een andere context en met een accent op vandaag, ook in het geval van 6b heel goed mogelijk.
Uit een en ander volgt nu: hoe minder 'bepaald' een constituent is (en hoe groter de informatieve waarde ervan dan meestal is), hoe meer naar rechts in de zin die constituent gewoonlijk staat. Zoals zin 5b laat zien, kan ook een bepaalde constituent echter nog wel informatief meer prominentie krijgen en meer naar achteren in het middenstuk geplaatst worden. Dit is onder meer ook het geval in contrastieve zinnen.
(ad [c]) Als voorbeeld van de derde tendentie kan ten slotte nog gelden:
9Er |heeft| gisteren iemand een taart |gebracht.|
Het onderwerp van deze zin (iemand) staat als onbepaalde constituent weliswaar na de bijwoordelijke bepaling, maar komt toch nog vóór het lijdend voorwerp (een taart).
3
Voor de onderlinge plaatsing van de zinsdelen uit de in 1 omschreven groepen [i] en [iii ] kan nu op grond van het voorgaande het hier volgende tentatieve regelsysteem opgesteld worden, waarbij weer opgemerkt moet worden dat niet alle elementen tegelijk gerealiseerd hoeven te zijn of het kunnen zijn (als bijvoorbeeld in een zin al een persoonlijk voornaamwoord als onderwerp optreedt kan niet nog een aanwijzend voornaamwoord als onderwerp voorkomen, enzovoorts). Enige toelichting bij deze regels volgt hieronder. Voor aanvullingen op de regels en voor mogelijke afwijkingen in volgorde zie men [21·4·5] en de overige deelparagrafen waarnaar verwezen wordt.
De onderlinge volgorde van de elementen is als volgt:
  1. Persoonlijke voornaamwoorden (zowel gereduceerde als niet-gereduceerde en ook die met een vage, algemene referentie, zoals men) als onderwerp; aanwijzende voornaamwoorden als onderwerp.
  2. Presentatief er, indien er geen element uit [1] in de zin aanwezig is. (Zie voor er ook [21·4·6].)
  3. Naamwoordelijke constituenten met een substantivische kern of onbepaalde voornaamwoorden als onderwerp, indien geen element uit [1] in de zin aanwezig is. (Zie ook [21·4·3].)
  4. Gereduceerde voorwerpsvormen van de persoonlijke voornaamwoorden van de derde persoon: het ze 'm
  5. Gereduceerde voorwerpsvormen van de persoonlijke en wederkerende voornaamwoorden van de eerste en de tweede persoon en het wederkerende zich.
  6. Niet-gereduceerde voorwerpsvormen van het persoonlijk voornaamwoord en het wederkerende ons en u.
  7. Aanwijzende voornaamwoorden, onbepaalde voornaamwoorden of naamwoordelijke constituenten met substantivische kern als voorwerp.
Toelichting:
  • Ad [1]: de aanwijzende voornaamwoorden als onderwerp kunnen soms achter de persoonlijke voornaamwoorden als voorwerp of achter zich geplaatst worden. Vergelijk voorbeeld 17a hieronder met [21·4·4].
  • Voor [2] en [3] geldt: er treedt in het algemeen alleen terzelfdertijd met een element uit [3] op als dit laatste onbepaald, niet-specifiek is (zie [21·4·6]).
  • Voor [4] en [5] geldt: lijdend voorwerp komt vóór meewerkend voorwerp. Zie bijvoorbeeld zin 16a hieronder; zie verder [21·4·7] en voor indirecte objecten in de vorm van een voorzetselconstituent (met aan of voor) [21·4·7·3].
  • Voor [7] geldt daarentegen: een meewerkend voorwerp komt gewoonlijk vóór een lijdend voorwerp (zie verder [21·4·7·3]).
  • Bij de onderlinge volgorde van de voornaamwoorden blijkt het onderscheid tussen gereduceerde en niet-gereduceerde vormen van met name de persoonlijke voornaamwoorden (me-mij, je-jij, enz.) een belangrijke rol te spelen. Dit onderscheid wordt in verband met de eerste zinsplaats behandeld in [21·3·2·1/i1].
  • Uit de volgorderegels komt de tendens naar voren dat elementen die 'zwaarder' of 'complexer' zijn de neiging hebben verder naar achteren te komen dan 'lichtere' of 'minder complexe': gereduceerde voornaamwoorden komen vóór volle vormen, voornaamwoorden komen vóór substantivische elementen (het onderwerp vormt hier soms een uitzondering op). Een uitvloeisel van het 'complexiteitsprincipe' is ook dat indirecte objecten in de vorm van een voorzetselconstituent verder achteraan kunnen staan dan naamwoordelijke constituenten.
Voorbeeldzinnen die in overeenstemming zijn met de gegeven volgorderegels, zijn:
10a|Had| hij het zich niet in|gebeeld? |
b|Had| hij zich dat niet in|gebeeld?|
11Toch |heeft| er niemand iets |gezien.|
12(Weet jij) |of| iemand dat boek |gekocht heeft?|
13Gisteren |had| zijn vader iets |gekocht.|
14|Kon| die kerel het zich niet in|gebeeld hebben?|
15aEigenlijk |had| ik me haar heel anders voor|gesteld. |
bEigenlijk |had| ik ze/'r me heel anders voor|gesteld. |
16aEigenlijk |had| hij zich haar heel anders voor|gesteld.|
bEigenlijk |had| hij ze zich heel anders voor|gesteld. |
17aToen |heb| ik 't 'm |laten zien. |
bToen |heb| ik hem dat |laten zien.|
18aHoeveel |zou| me dat |kosten? |
bHoeveel |zou| het me |kosten?|
19a|Schaamt| die zich dan niet?
b|Schaamt| dat meisje zich dan niet?
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links