Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
5.2.5.2.2 Gebruik van het
Verder lezen
Het persoonlijk voornaamwoord het kan, behalve als het onderwerp is, niet op de eerste zinsplaats staan, waar alleen volle vormen voorkomen(zie 5.2.7, sectie 2), [f]:
1(A) Weet je waar mijn boek is?
(B) Nee, het heb ik niet gezien, wel je agenda.uitgesloten
In deze zin zou het aanwijzend voornaamwoord dat gebruikt kunnen worden(zie 5.6.3.3/1).
De verwijzingsmogelijkheden van het (en de aanwijzende voornaamwoorden dit en dat) zijn voor het overige ruimer dan die van de andere voornaamwoorden. Allereerst kan het naar een het-woord verwijzen, bijv. in:
2(A) Weet je waar mijn boek is?
(B) Nee, ik heb het niet gezien.
Maar in een geval als:
3(A) Weet je waar mijn boek is?
(B) Nee, ik weet het niet en het kan me ook niet schelen.
verwijst het niet naar mijn boek, maar naar waar mijn boek is, dus naar (de inhoud van) een hele (bij) zin.
Ook bij het als voorlopig onderwerp of voorwerp is er sprake van verwijzing naar een hele zin. Vervanging door dit of dat is hier niet mogelijk, bijv. niet in:
4aHet schijnt dat er vanavond een vergadering is.
bDat schijnt dat er vanavond een vergadering is.uitgesloten
5aZe vond het erg aardig van hem dat hij eerst een briefje gestuurd had.
bZe vond dat erg aardig van hem dat hij eerst een briefje gestuurd had.uitgesloten
Verder kan het ook naar de-woorden verwijzen. Dit is altijd mogelijk als het onderwerp is van een naamwoordelijk gezegde waarvan het naamwoordelijk deel bestaat uit een substantivische naamwoordelijke constituent ingeleid door een determinator. Voorbeelden:
6(A) Wie is die meneer?
(B) Het is de burgemeester.
7(A) Wat vind je van Dick?
(B) Het is een aardige jongen.
8(A) Wat een aparte bril heb jij, zeg! Het lijkt wel een echte Elton John-bril.
(B) Ja, het is ook een echte Elton John-bril.
Ook als het onderwerp een meervoud aanduidt kan het bij een naamwoordelijk gezegde optreden:
9(A) Wie zijn die kinderen daar?
(B) Het zijn de leerlingen van de Beatrixschool.
Heeft het naamwoordelijk deel geen lidwoord, of bestaat het uit een adjectivische constituent, dan is het als onderwerp niet mogelijk (wel hij):
10(A) Wie is die meneer?
(B) Het is burgemeester.uitgesloten
11(A) Wat vind je van Dick?
(B) Het is aardig.uitgesloten
12(A) Wat een aparte bril heb jij, zeg! Het lijkt wel een echte Elton John-bril.
(B) Ja, het is ook echt.uitgesloten
Bij verwijzing naar personen is soms hij of zij als onderwerp van naamwoordelijke gezegdes mogelijk in plaats van het. Vergelijk:
13a(A) Piet heeft altijd gekke verhalen.
a(B) Ja, het is een vermakelijke man.
b(A) Piet heeft altijd gekke verhalen.
b(B) Ja, hij is een vermakelijke man.
Hoewel beide b-zinnen hier als vervolg van a in principe mogelijk zijn, is 13a gewoner en gebruikelijker dan 13b. De verwijzing met het in 13a veronderstelt een voorafgaande context of situatie, terwijl hij in 13b eerder gebruikt wordt wanneer expliciet een nieuw aspect van Piet geïntroduceerd wordt.
Duidelijk blijkt het belang van context of situatie wanneer antwoorden op vragen gegeven worden. Antwoordzinnen met het identificeren het bevraagde naamwoordelijk deel, terwijl antwoorden met hij /zij (respectievelijk ze) nader specificeren, bijv.:
14(A) Wie is je vriendin?
(B) Het is de dochter van mijn vroegere muziekleraar.
Hier is a op te vatten als een vraag om de identiteit te vernemen van iemand van wie al eerder sprake is geweest. De b -zin geeft antwoord op een vraag die opgevat kan worden als 'zeg me wie je vriendin is'. Daarnaast is het volgende paar zinnen denkbaar:
15(A) Wie is je vriendin?
Ze is de dochter van mijn vroegere muziekleraar.
De a-zin wordt hier geuit in een situatie waarin al identificatie heeft plaatsgevonden; de vraag dient om een nadere specificering te ervaren en kan omschreven worden als 'vertel me meer over je vriendin'.
Alleen het naamwoordelijk deel kan op deze manier bevraagd worden en dan is een antwoord met het als onderwerp mogelijk, bijv.:
16(A) Wie is de gastheer?
(B) Het is Wim.
De vraag is hier bedoeld als een verzoek om nadere identificatie van de gastheer. Als echter een vraag gesteld wordt waarbij wie nader bevraagd wordt, kan het antwoord een sterk beklemtoond hij bevatten:
17(A) Wie is de gastheer?
(B) Híj is de gastheer.
Steeds is de situatie bepalend voor het gebruik van het dan wel hij/zij.
Als het zelf als naamwoordelijk deel van een naamwoordelijk gezegde fungeert, kan het naar voorafgaande naamwoordelijke delen verwijzen, die in dat geval substantivisch (met en zonder lidwoord) en adjectivisch kunnen zijn. Voorbeelden:
18(A) Is die meneer de burgemeester?
(B) Hij is het wel, maar je ziet het niet aan hem.
19(A) Is hij al lang burgemeester?
(B) Hij is het pas twee maanden.
20(A) Is hij aardig?
(B) Hij is het ongetwijfeld, maar hij laat het niet merken.
(Het tweede het in de b-zin van voorbeeld 20 slaat weer op de inhoud van een hele zin: Hij is het (namelijk aardig ).)
Ten slotte kan het nog 'verwijzen' op een andere manier. Zinnen als de volgende zijn zeker aanvaardbaar:
21Ze trakteerde op eigengemaakte jam. Het was erg lekker.
22We zijn naar die vergadering geweest. Het duurde erg lang en het was ontzettend saai.
Op het eerste gezicht lijkt het hier respectievelijk naar de de -woorden jam en vergadering te verwijzen. In gevallen waarin aan verwijzing naar die woorden niet getwijfeld hoeft te worden, blijkt het of dat echter niet mogelijk. Vergelijk respectievelijk met 21 en 22:
23(A) Hoe kwam ze aan die jam?
(B) Ze had het zelf gemaakt./Dat had ze zelf gemaakt.uitgesloten
24(A) Wat was het voor een vergadering?
(B) Het /dat was uitgeschreven door het bestuur.uitgesloten
Toch kan ook niet gesteld worden dat het in 21 en 22 verwijst naar de voorafgaande zinnen in hun geheel: niet het 'trakteren op jam', maar de jam was lekker, niet het 'naar de vergadering zijn' duurde lang en was saai, maar de vergadering zelf. Hier is sprake van een soort verwijzing die vooralsnog niet duidelijk te omschrijven is.
Voor het niet-verwijzende het: zie [5.2.10].
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links