Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.7.2.2 De intonatie van vraagzinnen
Vraagzinnen worden gekenmerkt door stijgende toonhoogtecontouren aan het einde van de zin. Een aantal mogelijke finale toonconfiguraties voor vraagzinnen zijn de lage stijging, de hoge stijging en de ‘lage lage’ stijging.
Bij een ‘lage stijging’ heeft het laatste accent een stijgende contour, en vervolgens stijgt de toonhoogte verder aan het einde van de zin, die eindigt met een hoge grenstoon. Dit wordt getranscribeerd als L*H H%.
Bron: Gussenhoven (2005: 128-129).
Zin (1) geeft een voorbeeld van deze intonatiecontour.
1Ga je vanavond naar de schouwburg?
De zwarte stippen op de intonatiecontour corresponderen met de toonsegmenten L en H. De witte stip geeft aan tot hoever de vorige toon doorloopt. Bron: Taalportaal 
De ‘hoge stijging’ wordt weergegeven als H* H%. Hierbij heeft het laatste accent een middelhoge toonhoogte en stijgt de toonhoogte aan het einde van de zin naar een hoge grenstoon
Bron: Gussenhoven (2005: 129).
, zoals in zin (2).
2Was je daar helemaal alleen naartoe gegaan?
Zinnen met een ‘lage lage stijging’ hebben een laag finaal toonhoogteaccent waarbij de lage toonhoogte wordt voortgezet tot de voorlaatste lettergreep, zoals in voorbeeld (3). Pas in de laatste lettergreep vindt een stijging plaats. Dit wordt getranscribeerd als L* H%.
Bron: Gussenhoven (2005: 130).
3Zijn er meloenen te veel?
Het is dus kenmerkend voor vraagzinnen dat ze eindigen met een hoge finale grenstoon H%.
Bron: Haan (2002: 214).
Het is echter niet zo dat alle vraagzinnen eindigen met een hoge finale grenstoon en dat alle zinnen met een finale stijging vragen zijn. Een hoge finale grenstoon kan ook gebruikt worden om te signaleren dat een (mededelende) spraakuiting wordt voortgezet (zie paragraaf 1.7.2.3).
Verder lezen
Fonetische kenmerken van vraagzinnen
Naast de verschillende fonologische vormen die vraagzinnen kunnen hebben, hebben ze ook belangrijke fonetische eigenschappen. Zo zijn de (lage) begintonen van vraagzinnen hoger dan die van mededelende zinnen, ook al behoren de beginnende grenstonen van de vraag en mededeling tot dezelfde fonologische categorie (%L). Verder wordt het globale spraakregister verhoogd en is ook het finale toonhoogteaccent hoger in vragen dan in mededelende zinnen. Ten slotte vormt bij vraagzinnen de finale toonhoogte het hoogste punt in de toonhoogtecontour van de hele zin. Er is sprake van een inclinatie in plaats van declinatie.
Bron: Haan (2002: 214-221).
De Functionele Hypothese
Verdieping
De Functionele Hypothese
Onderzoek van Haan (2002) naar de intonatie van vraagzinnen in het Nederlands ondersteunt de zogeheten Functionele Hypothese (Haan et al. 1997; Van Heuven 2017b) die stelt dat vraagzinnen die minder syntactische en lexicale kenmerken van vragen hebben, worden gekenmerkt door hogere en vaker stijgende toonhoogtecontouren dan andere typen vraagzinnen. Met andere woorden: hoe meer syntactische of lexicale kenmerken het vraagzinkarakter uitdrukken, des te minder wordt de zin gekenmerkt door vragende intonatie, en andersom. Zo zien we verschillen in intonatie tussen vraagzinnen van het type mededelende vraag, ja/nee-vragen en zinnen met een vraagwoord als wie, wat, waar, of hoe (wh-vragen). Vragen met een vraagwoord (en meestal ook inversie) worden gerealiseerd met de fonetisch minst uitgesproken vraagintonatie. Daarop volgen ja/nee-vragen (die alleen inversie hebben), en mededelende vragen zonder syntactische of lexicale kenmerken van vragen, die worden gerealiseerd met de meest uitgesproken vraagintonatie.
Bron: Haan (2002: 215-219).
Ter illustratie: de hoge en lage declinatielijnen zijn slechts verhoogd in vraagwoordvragen, terwijl in ja/nee-vragen de bovenste declinatielijn stijgend is (er is sprake van inclinatie), en in mededelende vragen is er bij beide lijnen sprake van inclinatie (Figuur 1).
Zie Van Heuven (2017a: 8-16) voor een uitgebreidere bespreking van deze intonatiepatronen.
Figuur 1. Gestileerde toonhoogtecontouren van vier zinstypes (200 tokens per paneel) in grafieken van frequentie (Equivalent Rectangular Bandwidth - ERB) naar tijd (ms). De zinstypes zijn mededelingen (ST), vraagwoordvragen (WH), ja/nee-vragen (YN) en mededelende vragen (DE). Hoge trendlijnen zijn getekend door de twee hoogste pieken in de spraakuiting te verbinden; de lage trendlijn verbindt het eerste lage punt met het laatste lage punt (op één na laatste voor de mededelende vragen) (Bron: Van Heuven 2017a: 12).
Literatuur
Rietveld & van Heuven (2016: 316-318); Haan (2002); Gussenhoven (2005)
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Nelleke Jansen november 2020
    Interessante links