Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.7.2 Intonatie
Een belangrijk onderdeel van prosodie is het toonhoogteverloop van de zin, de intonatie. We kunnen een onderscheid maken tussen globale toonhoogtebewegingen en lokale toonhoogtebewegingen. Spraakuitingen in het Nederlands hebben meestal een globale daling in de toonhoogte. Dit noemen we declinatie.
Bron: ’t Hart, Collier & Cohen (1990: 121-123).
Dit betekent echter niet dat de toonhoogte constant daalt. De intonatie van een zin bestaat normaal gesproken namelijk uit een opeenvolging van lokale stijgingen en dalingen. Deze stijgingen en dalingen wisselen elkaar af op hoge en lage punten tussen twee declinatielijnen. De lage punten liggen op de lage declinatielijn, en de hoge punten liggen op de hoge declinatielijn.
Bron: Rietveld & Van Heuven (2016: 308).
Figuur (1) geeft een illustratie van een intonatiecontour tussen twee declinatielijnen.
Figuur 1. Denkbeeldige intonatiecontour tussen een hoge declinatielijn en lage declinatielijn
 
De opeenvolging van lokale toonhoogtebewegingen in een zin wordt aangeduid als de melodische structuur. De melodische structuur van een zin wordt beïnvloed door verschillende factoren. Zinsaccenten worden (met name) gerealiseerd door een toonhoogtebeweging of toonhoogteaccent (paragraaf 1.7.1.5). Wanneer een zin meerdere zinsaccenten bevat, zijn er dus ook meerdere toonhoogteaccenten, die op elkaar volgen.
Een andere functie van intonatie is frasering, het markeren van prosodische domeinen (zie ook paragraaf 1.7.1.4). Bij frasering is de temporele organisatie van de spraakuiting het belangrijkst. Het gaat hierbij met name om lokale domeingrensmarkeringen, waaronder finale verlenging (wat ook wel prefinale rekking genoemd wordt): een vertraging in de spreeksnelheid aan het einde van het prosodisch domein.
Rietveld & Van Heuven (2016: 328).
Verder kunnen de domeingrenzen gemarkeerd worden door spreekpauzes, en in mindere mate door globale tempoverschijnselen (zoals een hogere spreeksnelheid aan het begin van een frase). Maar ook veranderingen in toonhoogte kunnen domeingrenzen markeren, door middel van grenstonen aan het begin en einde van een intonationele frase (IP).
Toonhoogteveranderingen zijn echter minder belangrijk voor frasering dan de temporele verschijnselen. Bron: Rietveld & Van Heuven (2016: 319).
Naast het zinsaccent en de domeingrenzen geeft de intonatie van een zin ook bepaalde bedoelingen van de spreker aan. De spreker gebruikt bijvoorbeeld intonatie om aan te geven of de zin een mededeling of een vraag is door middel van een daling (mededeling) of stijging (vraag) in de toonhoogte, vooral aan het einde van de zin. Intonatie speelt ook een rol bij het reguleren van beurten in conversaties (dat wil zeggen, het aangeven wie er aan de beurt is om te spreken), en bij het uitdrukken van attitudes zoals sarcasme. Ten slotte kan de intonatie van een spraakuiting—bewust of onbewust—worden beïnvloed door emoties van de spreker. Dit heeft met name invloed op de fonetische realisatie van de intonatiecontour (i.e. het verloop van de grondfrequentie F0) en op andere prosodische factoren, zoals spreeksnelheid, luidheid en stemkwaliteit.
Er zijn twee modellen ontwikkeld waarmee de melodische structuur van het Nederlands beschreven kan worden: het IPO-model (’t Hart, Collier, & Cohen 1990) en ToDI (Gussenhoven 2005). Het IPO-model (IPO = Instituut voor Perceptie Onderzoek, Eindhoven) beschrijft intonatiecontouren in termen van bewegingen die worden gespecificeerd wat betreft richting (stijgend/vallend), timing, steilheid van de helling, en grootte van de toonhoogtebeweging. Het ToDI-model (ToDI = Transcription of Dutch Intonation) is niet gebaseerd op bewegingen, maar op hoge en lage toonsegmenten, die samen combineren tot toonhoogtecontouren. ToDI is bedoeld om de fonologie van intonatie te analyseren, waarbij fonetische aspecten (zoals de grootte van de toonhoogtebeweging) er niet toe doen. Een ander belangrijk verschil tussen de twee modellen is dat het ToDI model uitgebreider is, en dus een groter aantal verschillende toonhoogtecontouren beschrijft.
Vergelijkende tabellen worden gegeven in Gussenhoven (2005: 139-140).
We gebruiken hier ToDI.
Verder lezen
Autosegmentele analyse van intonatie: ToDI
De melodische structuur van spraakuitingen kan worden beschreven door middel van een autosegmentele theorie van intonatie. Voor het Nederlands gebruiken we ToDI (Transcription of Dutch Intonation, Gussenhoven 2005).
Het ToDI model van intonatie is aangepast voor het Nederlands. Talen verschillen namelijk in welke (opeenvolgingen van) toonhoogteaccenten mogelijk zijn, en hoe ze gebruikt worden. Het model is gebaseerd op het ToBI model (Tones and Break Indices) dat oorspronkelijk is ontwikkeld om de prosodie van het Amerikaans Engels te beschrijven (Silverman et al. 1992; zie ook Gussenhoven 2016). Dit model is gebruikt als de basis voor verschillende ToBI-modellen van een groot aantal talen. Een overzicht van de verschillen tussen ToDI en ToBI wordt gegeven in Gussenhoven (2005: 142).
Hierbij wordt de intonatie beschreven door middel van de toonsegmenten H (hoge toon) en L (lage toon). Deze toonsegmenten vormen de basis voor toonhoogteaccenten en grenstonen die samen de intonatiecontour van de zin bepalen.
We gebruiken hier ‘zin’ in de betekenis van intonationele frase (IP).
Grenstonen worden gemarkeerd met een procentteken (%) en toonhoogteaccenten worden weergegeven met een ster of asterisk (*). Elke zin heeft op zijn minst een beginnende grenstoon en een toonhoogteaccent. Daartussenin kunnen nul of meer prefinale toonhoogteaccenten geplaatst worden. Ten slotte kan de zin eindigen in een finale grenstoon, maar dit is optioneel. Een overzicht van de vier posities is gegeven in Figuur (2).
Figuur 2. Posities in de intonatiecontour: beginnende grenstoon; optionele prefinale toonhoogteaccenten; finaal toonhoogteaccent; optionele finale grenstoon
In (1) is een voorbeeld gegeven van hoe verschillende toonhoogteaccenten en grenstonen kunnen combineren in een zin. Dit voorbeeld bevat een beginnende grenstoon (%L), een prefinaal toonhoogteaccent (H*LH), een finaal toonhoogteaccent (H*L) en een finale grenstoon (L%). De zwarte stippen op de toonhoogtelijn die is weergegeven boven de zin corresponderen met de toonsegmenten. Elk punt is een H of een L.
1Eindelijk kwam het winterkoninkje weer thuis.
Een overzicht van de mogelijke grenstonen wordt gegeven in (2).
Bron: Gussenhoven (2005: 127).
2Beginnende grenstonen:
a%L
a%H
a%HL
Finale grenstonen:
bL%
bH%
Er zijn drie mogelijke beginnende grenstonen. %L is een lage begintoon, die meestal gebruikt wordt. %H is een hoge begintoon, die voorkomt voor lage toonhoogteaccenten. Over het algemeen heeft het gebruik van %L de voorkeur wanneer het eerste toonhoogteaccent begint met een H-toon, en heeft %H eerder de voorkeur wanneer het eerste toonhoogteaccent begint met een L-toon.
Bron: Grabe et al. (1998).
De laatste optie is een dalende begintoon %HL, die weinig gebruikt wordt en dus opvallender is.
Het gebruik van een finale grenstoon is optioneel. De opties zijn dus een lage grenstoon L%, een hoge grenstoon H%, of het eindigen van de zin met een toonhoogte op middenniveau, zonder finale grenstoon (dit wordt getranscribeerd als %).
Bron: Gussenhoven (2005: 123-124).
De keuze van een finale grenstoon is afhankelijk van de bedoeling van de zin (bijv. een mededeling doen of een vraag stellen), en of de spraakuiting beëindigd wordt of verder gaat. Mededelende zinnen hebben meestal een lage finale grenstoon, terwijl vragende zinnen vaak gepaard gaan met een hoge finale grenstoon. Het weglaten van een finale grenstoon kan voorkomen bij een opsomming, aarzeling, of voortzetting van de spraakuiting.
Een overzicht van de toonhoogteaccenten wordt gegeven in (3).
Bron: Gussenhoven (2005: 127).
3Toonhoogteaccenten
H*
L*
H*L
L*H
Sommige toonhoogteaccenten bestaan uit één toon, namelijk het hoge toonhoogteaccent (H*) en het lage toonhoogteaccent (L*). Andere accenten hebben een vervolgtoon na de ster. Dit geeft een dalend accent (H*L) of een stijgend accent (L*H). Net als bij de grenstonen is de keuze van het accent afhankelijk van de bedoeling van de zin. Zo worden mededelende zinnen meestal gekenmerkt door een dalend finaal toonhoogteaccent (zie voorbeeldzin (1)). Ook vraagzinnen hebben vaak een dalend finaal toonhoogteaccent, maar hoge toonhoogteaccenten (H*) komen hier iets vaker voor dan in mededelingen.
Bron: Haan (2002: 137).
Toonhoogteaccenten met een H-toon kunnen gewijzigd worden door middel van downstep (‘verlaging’), dat wordt weergegeven met een uitroepteken (!). Downstep betekent dat de toonhoogte een stapje omlaaggaat ten opzichte van voorgaande accenten in de zin. Er moet dus tenminste één prefinaal toonhoogteaccent met een H-toon voorafgaan aan het accent met downstep. Zo heeft de H-toon in een verlaagd toonhoogteaccent !H*L een lagere toonhoogte dan H in een voorgaand toonhoogteaccent H*L. Verlaging kan ook plaatsvinden binnen een geaccentueerde lettergreep, wat het geval is in de roepcontour (paragraaf 1.8.2.3). De roepcontour bestaat uit een H-toon met ster en een verlaagde vervolgtoon !H (H*!H). Dit toonhoogteaccent wordt bijvoorbeeld gebruikt wanneer iemand de naam van een ander roept (‘Anneke!’). Een overzicht van de toonhoogteaccenten met downstep is gegeven in (4).
Bron: Gussenhoven (2005: 127-128).
4Accenten met downstep
!H*
!H*L
H*!H (= roepcontour)
Downstep of verlaging wordt gebruikt wanneer de spreker geen antwoord verwacht van de gesprekspartner of luisteraar, bijvoorbeeld bij het voorlezen van de titel van een verhaal zoals in Figuur (3).
Figuur 3.
Tot nu toe hebben we toonhoogteaccenten gezien die bestaan uit één of twee toonsegmenten. Er zijn ook accenten die uit drie segmenten bestaan. Het dalende toonhoogteaccent H*L kan namelijk gewijzigd worden door de prefixatie van een segment L, wat een verlate daling L*HL geeft. Dit accent kan daarnaast ook verlaagd worden door downstep. Dit geeft het accent L*!HL, waarbij het segment H verlaagd is ten opzichte van voorgaande H-segmenten in de zin. Ten slotte bestaat er een prefinaal toonhoogteaccent H*LH, waarbij een scherpe daling wordt opgevolgd door een stijging. Een overzicht van de toonhoogteaccenten met drie tonen is gegeven in (5).
Bron: Gussenhoven (2005: 128).
5Accenten met drie tonen
H*LH
L*HL
L*!HL
Het Nederlands heeft in principe geen maximaal aantal toonhoogteaccenten in een frase. Wel is er een beperking op hoeveel verschillende soorten toonhoogteaccenten voorkomen in een zin. Als er meer dan twee toonhoogteaccenten zijn, zullen de prefinale toonhoogteaccenten (meestal) hetzelfde zijn, zodat er slechts twee verschillende soorten accenten in één zin voorkomen.
Bron: Gussenhoven (2005: 121).
Voor finale toonhoogteaccenten zijn er meer contouren mogelijk dan voor prefinale toonhoogteaccenten. De accenten H*, L*, H*L en L*H kunnen zowel in finale als prefinale positie voorkomen. In prefinale posities kan ook het dalend-stijgend accent H*LH gebruikt worden. In finale positie vinden we daarnaast de verlaagde accenten !H* en !H*L, de roepcontour H*!H, en de vertraagde dalingen L*HL en L*!HL. Tabel 1 geeft een overzicht van de mogelijkheden.
Tabel 1. Mogelijke toonhoogteaccenten in prefinale en finale positie
Prefinale positie Finale positie
H* X X
L* X X
H*L X X
L*H X X
H*LH X
!H* X
!H*L X
H*!H X
L*HL X
L*!HL X
Een ander verschil tussen finale en prefinale accenten zit in de realisatie van de toonhoogteaccenten die uit twee of meer tonen bestaan. In een finaal toonhoogteaccent met meer dan één toon (bijv. H*L) komt de vervolgtoon (bijv. L) direct na de toon met ster (bijv. H*). In prefinale toonhoogteaccenten komt het eindpunt van de vervolgtoon pas vlak voor het volgende toonhoogteaccent. Dit heet Tone Linking (‘toonkoppeling’).
Bron: Gussenhoven (2005: 126).
In het geval van een prefinaal toonhoogteaccent dat uit drie tonen bestaat (H*LH), volgt de eerste vervolgtoon L direct na de toon met ster. Tone Linking vindt hier plaats bij de tweede vervolgtoon. In zin (1) is duidelijk te zien hoe de tweede vervolgtoon H van het toonhoogteaccent H*LH gespreid wordt over meerdere woorden, en pas vlak voor het finale toonhoogteaccent (H*L) zijn eindpunt bereikt. Hierdoor is er bij H*LH sprake van een scherpe daling gevolgd door een geleidelijke stijging.
Betekenissen van intonatiecontouren
Alle mogelijke toonhoogteaccenten en grenstonen kunnen samen een groot aantal verschillende intonatiecontouren vormen. Deze contouren worden gebruikt door de spreker om verschillende bedoelingen of attitudes weer te geven. Zo worden mededelende zinnen meestal gekenmerkt door een dalend finaal toonhoogteaccent en een lage finale grenstoon, terwijl vragende zinnen vaak gepaard gaan met een hoge finale grenstoon, hoewel er uitzonderingen zijn. Grenstonen spelen verder een rol bij het aangeven of de spraakuiting wordt voortgezet (vlakke of hoge finale grenstoon) of beëindigd wordt (lage finale grenstoon).
Een spreker heeft vaak de keuze tussen verschillende intonatiecontouren om globaal dezelfde bedoeling uit te drukken, waarbij de betekenisverschillen tussen twee contouren soms heel subtiel zijn. Zo komt een zin vriendelijker over wanneer de spreker verschillende tonen gebruikt voor de beginnende grenstoon en de eerste toon van het daaropvolgende toonhoogteaccent. Zo komt een lage beginnende grenstoon (%L) voor een dalend toonhoogteaccent (H*L) vriendelijker over dan een hoge beginnende grenstoon (%H) voor een dalend toonhoogteaccent. Andersom kan de spreker voor een stijgend toonhoogteaccent (L*H) beter een hoge beginnende grenstoon gebruiken (%H) om vriendelijk over te komen.
Bron: Grabe et al. (1998).
Een ander voorbeeld is dat een spreker een mededeling minder dringend kan maken door de zin niet te eindigen in een sterk dalende intonatiecontour (H*L L%), maar in plaats daarvan de finale daling achterwege te laten (H*L %) (zie paragraaf 1.8.2.1).
Bron: Gussenhoven (2005: 128).
Verschillen tussen het Nederlands en Engels
Verdieping
Verschillen tussen het Nederlands en Engels
De melodische structuur van het Nederlands lijkt erg op die van het Engels. Toch zijn er een aantal verschillen. Zo vind je in het Nederlands meer hoge tonen en stijgingen in het finale toonhoogteaccent dan in het Engels, waarin hoge tonen vooral aan het begin van de zin voorkomen. De grootste verschillen zijn echter te vinden in de fonetische realisatie van de intonatiecontouren. Vergeleken met het Engels wordt het Nederlands met name gekenmerkt door kleinere verschillen tussen de hoge en de lage tonen.
Voor regionale variatie in Nederlandse intonatie, zie paragraaf 1.2.2.1.8 en Hanssen (2017).
Daardoor klinkt het Nederlands wat monotoner dan het Engels. Vooral de lage tonen hebben in het Engels een lagere grondfrequentie dan de lage tonen in het Nederlands. Daarnaast zijn de stijgingen of dalingen in de finale toonhoogteaccenten in het Engels vaak sneller en scherper dan in het Nederlands.
Bron: Collins & Mees (2003: 274-284). Collins en Mees werken in een ander (traditioneel-impressionistisch) framework dan het ToDI-model. Voor een vergelijking van het Nederlands en Engels, zie ook de experimentele studies beschreven in Sanders (1996) en Willems (1982, 1988).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Nelleke Jansen november 2020
    Interessante links