Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1.1.2 Classificatie van medeklinkers
De 20 Nederlandse medeklinkers die deel uitmaken van de foneeminventaris worden weergegeven in Tabel 1 .
Tabel 1. Medeklinkers van het Nederlands
Bilabiaal Labiodentaal Alveolair Palataal Velair Glottaal
Plofklanken p, b t, d k, (ɡ)
ɡ is geen oorspronkelijk Nederlands foneem maar een leenfoneem dat via leenwoorden in het Nederlands overgenomen is (bijv. goal, goulash). Verder komt de ɡ ook voor als allofoon van k als resultaat van regressieve assimilatie, zoals bijvoorbeeld in zakdoek met de fonetische vorm zɑgduk.
Wrijfklanken f, v s, z x, ɣ h
Neusklanken m n ŋ
Vloeiklanken l, r
Glijklanken w (β̞)
De w wordt in het grootste deel van Nederland als een labiodentale approximant gerealiseerd (nl. ʋ), maar in het zuiden van Nederland en het Belgisch Nederlands als een bilabiale approximant (nl. β̞), en in het Surinaams Nederlands als een labiaal-velaire approximant (nl. w).
w (ʋ)
De w wordt in het grootste deel van Nederland als een labiodentale approximant gerealiseerd (nl. ʋ), maar in het zuiden van Nederland en het Belgisch Nederlands als een bilabiale approximant (nl. β̞ ), en in het Surinaams Nederlands als een labiaal-velaire approximant (nl. w).
j
Medeklinkers worden gekenmerkt door (i) de plaats in het spraakkanaal waar de vernauwing tussen de articulatoren het sterkst is, (ii) de manier waarop de luchtstroom vervormd wordt tijdens de articulatie, en (iii) stemgeving, het al of niet trillen van de stembanden.
Zo is het voor neusklanken of nasalen bijvoorbeeld typerend dat ze geproduceerd worden met een totale afsluiting in de mond, maar met een verlaagd zacht gehemelte, waardoor de lucht vrij kan ontsnappen door de neus. Het Nederlands heeft drie nasale fonemen die elk een verschillende plaats van articulatie hebben: de m wordt gevormd door de lippen op elkaar te houden (bilabiaal), de n door contact tussen de voorkant van de tong en de tandkassen (alveolair), en bij de ŋ raken de achterkant van de tong en het zachte gehemelte elkaar (velair). Deze neusklanken worden geproduceerd met trillende stembanden, ze hebben dus alle drie het distinctieve kenmerk [+stem].
De allofonen c, ɲ, ʃ en het leenfoneem ʒ
Verdieping
De allofonen c, ɲ, ʃ en het leenfoneem ʒ
Een aantal medeklinkers van het Nederlands zijn geen fonemen maar allofonen (vandaar dat ze niet in Tabel 1 staan), die ontstaan uit de opeenvolgingen van nj, tj en sj, zoals in oranje, tjilpen en doosje (palatalisatie), of leenfonemen die enkel voorkomen in leenwoorden (bijv. ʃ in chic, show; ʒ in beige, jus, genre). De klank in oranje wordt fonetisch weergegeven als ɲ; de klank in tjilpen wordt gerepresenteerd als c, maar wanneer de opeenvolging tj in het midden van een voet voorkomt, zoals in beetje, hondje, wordt dit door sommige Nederlanders (onder andere in de Randstad) gerealiseerd als een palatale fricatief, die weergegeven wordt als ; de opeenvolging van sj en de beginklank in leenwoorden als chic wordt weergegeven als ʃ; de beginklank in leenwoorden als genre ten slotte, wordt weergegeven als ʒ. De allofonen c, ɲ, ʃ en het leenfoneem ʒ zijn post-alveolair: ze hebben een pre-palatale realisatie waarbij het tongblad achter de alveolen wordt geplaatst.
Zie Rietveld & Van Heuven (2016: 422).
Verder lezen
Plaats van articulatie van medeklinkers
De Nederlandse medeklinkers worden onder andere geclassificeerd op basis van de plaats in het spraakkanaal waar zich de sterkste vernauwing tussen de articulatoren voordoet. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de actieve articulator, het orgaan dat beweegt tijdens de articulatie, en de passieve articulator, het doel waarheen de actieve articulator zich beweegt. De naam van de distinctieve plaatskenmerken is doorgaans gebaseerd op de passieve articulator (zie Figuur 1).
Aangepast uit Rietveld & Van Heuven (2016: 76). Het strottenhoofd (larynx) met daarin de stemspleet (glottis) ontbreekt op Figuur 1, maar bevinden zich ter hoogte van de plaats waar de medeklinkers ʔ en ɦ gearticuleerd worden.
Figuur 1. De spraakorganen, actieve en passieve articulatoren en plaatsen van articulatie van de Nederlandse medeklinkers
  • A. Neusholte (nasus = neus)
  • B. Mondholte (ora = mond)
  • C. Keelholte (farynx)
  • D. Luchtpijp (trachea)
  • 1. Lippen (labia)
  • 2. Tanden (dentes)
  • 3. Tandkas (alveolus)
  • 4. Harde gehemelte (palatum)
  • 5. Zachte gehemelte (velum)
  • 6. Huig (uvula)
  • 7. Strotklep (epiglottis)
  • 8. Tongpunt (apex)
  • 9. Tongblad (lamina)
  • 10. Tongrug (dorsum)
Medeklinkers die bij de lippen gevormd worden, kunnen onderverdeeld worden in bilabiale en labiodentale medeklinkers. Bilabiale medeklinkers worden gearticuleerd met gesloten lippen zodanig dat de luchtstroom eerst een korte periode volledig geblokkeerd wordt. Dit is het geval voor p, b, m. In het geval van m kan de lucht wel ontsnappen via de neus. In het geval van de bilabiale w (dus β ̞) bewegen beide lippen tot dicht bij elkaar, maar is er geen sprake van een volledige afsluiting. Voor de productie van de labiodentale medeklinkers f, v, ʋ beweegt de onderlip tot dicht bij de boventanden.
Als de tong tegen de tandkassen of alveolen, die vlak achter de bovenste tanden liggen, gedrukt wordt of in de nabijheid ervan beweegt, dan spreekt men van alveolaire medeklinkers. De alveolaire medeklinkers van het Nederlands zijn t, d, n, s, z, l, r. De tong beweegt in de richting van het harde gehemelte of palatum voor de articulatie van de palatale medeklinker j.
De r heeft in het Nederlands ook een palatale (j-achtige) variant, zie Sebregts (2014: 56, 196).
Bij de productie van velaire medeklinkers maakt de achterkant van de tong een beweging tegen of in de nabijheid van het zachte gehemelte of velum. De Nederlandse velaire medeklinkers zijn k, ɣ , x, ŋ en het leenfoneem ɡ.
x en ɣ worden door veel sprekers van het Nederlands uvulair (als Х) gerealiseerd.
Uvulaire medeklinkers worden gevormd door een vernauwing of afsluiting tussen de achterkant van de tong en de huig of uvula. Een veel voorkomende uvulaire medeklinker van het Nederlands is de zogenaamde huig-r, die weergegeven wordt als R.
Glottale medeklinkers worden gearticuleerd bij de stemspleet of glottis. Een glottaal foneem van het Nederlands is de h,
Zie Rietveld & Van Heuven (2016: 422)
die gearticuleerd wordt doordat de stembanden van elkaar af bewegen (abductie) in de eerste fase van de volgende klinker. Bij de uitspraak van deze klank neemt het spraakkanaal reeds de vorm aan die nodig is voor de realisatie van de erop volgende klinker. Verder komt in het Nederlands ook de glottale plosief of glottisslag ʔ voor (bijv. in beamen bəˈʔaːmən), die gevormd wordt door het korte dichtklappen van de stemspleet.
Manier van articulatie van medeklinkers
De manier van articulatie van medeklinkers wordt bepaald door de wijze waarop de luchtstroom tijdens het spreken gemoduleerd wordt door de articulatoren. Voor de articulatie van medeklinkers wordt het spraakkanaal vervormd, wat een effect heeft op de mate van vernauwing tussen de actieve en passieve articulatoren. Er worden drie graden van vernauwing onderscheiden: (1) volledige sluiting, waarbij de luchtstroom volledig geblokkeerd wordt (bijv. k), (2) gesloten benadering, waarbij de lucht door een nauw kanaal tussen de articulatoren gevoerd wordt (bijv. f), en (3) open benadering, waarbij de lucht redelijk ongehinderd kan ontsnappen langs de vernauwing tussen de articulatoren (bijv. j).
De medeklinkers die met (1) volledige sluiting of (2) gesloten benadering gevormd worden, en waarbij er dus sprake is van sterke tot volledige ‘obstructie’ van de luchtstroom, worden obstruenten genoemd. Daartegenover staan de sonorante medeklinkers, die geproduceerd worden met een zwakke tot matige mate van obstructie van de luchtstroom. Daardoor ontstaat er spontaan stembandtrilling, hetzij doordat er in de mondholte nauwelijks een vernauwing plaatsvindt tussen de articulatoren (open benadering), hetzij doordat de lucht via de neus kan ontsnappen omdat het zachte gehemelte verlaagd is. In het eerste geval spreekt men ook van approximanten, in het tweede geval hebben we te maken met neusklanken. Typerend voor sonorante medeklinkers (en voor de klinkers, die ook sonorant zijn) is dat je ze kunt uitspreken terwijl je een melodie neuriet, terwijl dit niet kan met obstruenten.
Het onderscheid tussen obstruenten en sonoranten speelt een rol in de opbouw van lettergrepen en in de toepassing van fonologische regels, zoals verstemlozing.
Obstruenten en sonoranten kunnen worden onderverdeeld op basis van de manier waarop de lucht vervormd wordt tijdens het spreken (zie ook Tabel 2). We onderscheiden twee typen obstruenten, namelijk plosieven en fricatieven, en drie typen sonorante medeklinkers, namelijk nasalen, vloeiklanken en glijklanken. De laatste twee klassen vormen samen de approximanten.
Plosieven of plofklanken worden gekenmerkt door een complete afsluiting tussen de articulatoren, waardoor de lucht volledig geblokkeerd wordt. De articulatoren verwijderen zich vervolgens snel van elkaar, waardoor de samengeperste lucht snel en met kracht vrijgelaten wordt, wat gehoord kan worden als een uitbarsting van geluid. De Nederlandse plosieven met foneemstatus zijn p, t, k, b, d, ɡ; verder is er ook nog de glottisslag ʔ, die in het Nederlands geen woordonderscheidende functie heeft en dus de status van allofoon heeft.
Bij de articulatie van fricatieven of wrijfklanken zijn de articulatoren zo dicht bij elkaar (gesloten benadering) dat de lucht door een nauw kanaal moet ontsnappen. Dit veroorzaakt turbulentie, wat hoorbaar is als wrijving. De Nederlandse fricatieven zijn f, s, x, v, z, ɣ, h. De klanken ʃ en ʒ hebben allofoonstatus.
Bij de Nederlandse nasalen of neusklanken m, n, ŋ en de allofoon ɲ is er een volledige afsluiting in de mondholte (vooraan bij m, n en ɲ; achteraan bij ŋ), maar de lucht kan vrij ontsnappen door de neus, doordat het zachte gehemelte (velum) verlaagd is.
Typerend voor approximanten is dat de vernauwing in het spraakkanaal zo zwak is dat de lucht zonder turbulentie kan ontsnappen. Deze medeklinkers worden verder onderverdeeld in vloeiklanken en glijklanken.
De Nederlandse liquidae of vloeiklanken zijn l, r. Ze worden zo genoemd omdat de lucht tijdens de articulatie gelijkmatig kan ontsnappen (‘vloeien’) langs de tong. Bij de l gebeurt dat langs de zijkanten van de tong (lateraal).
Behalve de tongpunt-r r en de huig-r R kent de r nog vele andere fonetische realisaties).
Bij de articulatie van de glijklanken is er nauwelijks een vernauwing tussen de articulatoren, zodat de lucht ongehinderd kan ontsnappen. De Nederlandse glijklanken zijn j en w (met als allofonen de labiodentale ʋ in het grootste deel van Nederland,
Van der Torre (2003) betoogt dat ʋ zich als vloeiklank gedraagt.
de bilabiale β ̞ in het zuiden van Nederland en België, en de labiaal-velaire w in Suriname). De j en w worden soms ook halfvocalen genoemd, vanwege hun sterke fonetische gelijkenis met respectievelijk i en u.  
Stemgeving van medeklinkers
Medeklinkers kunnen stemloos of stemhebbend zijn.
Klinkers zijn altijd stemhebbend.
Bij stemloze medeklinkers staat de stemspleet of glottis open en zijn de stembanden zo ver uiteen dat ze niet kunnen trillen; bij stemhebbende medeklinkers is de stemspleet licht gesloten waardoor de stembanden gaan trillen.
De stembanden kunnen pas gaan trillen als er een voldoende groot verschil in luchtdruk is tussen de holten onder en boven de stembanden (= de transglottale druk). Bij een voldoende groot verschil zal de lucht vanuit de longen de stembanden van elkaar af drukken. Vervolgens ondergaat de luchtstroom die op die manier door de stemspleet of glottis wordt gestuurd een versnelling. Door die versnelling wordt de luchtdruk tussen de stembanden dan weer lager (= Bernoulli-effect), waardoor ze weer tegen elkaar aan gezogen worden. Zo lang het transglottale drukverschil voldoende groot blijft, herhaalt dit proces zich. Door de trillende stembanden wordt de luchtstroom in korte pulsen omgezet, waardoor fonatie of stemgeving ontstaat (zie Rietveld & Van Heuven (2016: 58).
De sonorante medeklinkers (nasalen, vloeiklanken en glijklanken) zijn spontaan stemhebbend, terwijl de (meeste) obstruenten een stemloze en stemhebbende variant hebben: p, t, k, f, s, x en ʃ zijn stemloos, b, d, ɡ , v, z, ɣ , h en ʒ zijn stemhebbend.
Fonetische verschillen tussen stemloze en stemhebbende obstruenten komen onder andere tot stand door verschillende fysiologische structuren, verschillen in luchtdruk en -stroom, en verschillen in timing: bij de b van bak, een stemhebbende plofklank, gaan de stembanden later – maar wel abrupt – trillen voor een erop volgende klinker dan bij de stemloze plofklank p van pak, waarbij de stembanden vroeger – maar wel geleidelijk – gaan trillen.
Zie Rietveld & Van Heuven (2016: 60) voor een gedetailleerd overzicht van de verschillen tussen stemhebbende versus stemloze orale obstruenten en de omliggende klinkers.
Een overzicht van de distinctieve eigenschappen van medeklinkers
Tabel 2. De medeklinkers van het Nederlands: fonemen en allofonen
Plaats van articulatie Manier van articulatie
Obstruenten Sonoranten
Approximanten
Plosieven Fricatieven Nasalen Vloeiklanken Glijklanken
Bilabiaal p, b m w (β ̞ )
Labiodentaal f, v w (ʋ)
Alveolair t, d s, z n l, r (r)
Post-alveolair ʃ, ʒ ɲ
Palataal j
Velair k, ɡ x, ɣ ŋ
Uvulair r (R)
Met betrekking tot de verschillende varianten van de r in het Nederlands onderscheidt Sebregts (2014) enerzijds trilklanken, tapklanken en fricatieven, en anderzijds approximanten en klinkers. Dit wil zeggen dat hij de varianten r en R niet als approximanten classificeert.
Glottaal ʔ h
De in tabel 2 weergegeven eigenschappen van de medeklinkers kunnen als volgt worden weergegeven in termen van combinaties van (in hoofdzaak binaire) distinctieve kenmerken. Sommige van deze kenmerken zijn voorspelbaar op grond van andere. Zo zijn consonanten die [+nasaal] zijn, altijd [+stem].
Zie Booij (1995: 20-21).
Voor de plaatskenmerken worden kenmerken gebruikt die maar één waarde hebben: labiaal, coronaal of dorsaal. Het vinkje (v) geeft aan welk van de plaatskenmerken van toepassing is.
Tabel 3. Kenmerkentabel voor Nederlandse medeklinkers
p b t d k f v s z x ɣ m n ŋ l r w h
consonant + + + + + + + + + + + + + + + + + +
sonorant - - - - - - - - - - - + + + + + + -
approximant - - - - - - - - - - - - - - + + + +
continuant - - - - - + + + + + + - - - - + + +
stem - + - + - - + - + - + + + + + + + +
nasaal - - - - - - - - - - - + + + - - - -
lateraal + - - - - - - - - - - - - - + - - -
aspiratie - - - - - - - - - - - - - - - - - +
labiaal v v v v v v
coronaal v v v v v v v
dorsaal v v v v
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020
    Interessante links