Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
25.1.2.1.3 Congruentie onderwerp - persoonsvorm
Verder lezen
Als een conjunctie met enkelvoudige leden onderwerp is, kan de persoonsvorm enkel- en meervoudig zijn. Hieronder worden een aantal regels geformuleerd die alleen gelden als de in [24.4.2] omschreven algemene regels niet van toepassing zijn.
  1. De onderwerpsnevenschikking moet met een enkelvoudige persoonsvorm verbonden worden in de volgende gevallen.
    1. De leden zijn onbepaalde naamwoordelijke constituenten die niet-telbare zelfstandigheden aanduiden, terwijl de zin presentatief er bevat of kan bevatten. Voorbeelden:
      1Er is goud en zilver gevonden.
      2Gisteren lag er nog ham en kaas in de koelkast.
      3Ik hoor dat (er) hier Frans en Nederlands gesproken wordt.
    2. De leden zijn generieke of categoriale naamwoordelijke constituenten met een collectiverend onbepaald voornaamwoord (bijv.
      ieder elk
      ) in de determinator. Voorbeeld:
      4Ieder mens die een moord pleegt en ieder mens die brand sticht, verdient een zware straf.
    3. De leden zijn onbepaalde, generieke of categoriale naamwoordelijke constituenten met een onbepaald voornaamwoord of onbepaald telwoord als kern. Voorbeelden:
      5Ieder die moordt en ieder die brand sticht, verdient een zware straf.
      6Er is iemand met tandpasta en iemand met stofzuigers geweest.
      7Veel van wat in deze schuur was opgestapeld en nog meer van wat in de werkplaats werd bewaard, ging verloren.
    4. De leden zijn dit en dat of het een (ene) en het ander(e). Voorbeelden:
      8Dit en dat moet in de auto.
      9Het een en het ander is onjuist.
  2. De onderwerpsnevenschikking moet met een meervoudige persoonsvorm verbonden worden in de volgende gevallen.
    1. De leden zijn generieke of categoriale constituenten met verschillende kernwoorden (vergelijk [1][b] en [3][b]). Voorbeeld:
      10Het kind dat zich opricht en de grijsaard die gebogen loopt, gehoorzamen aan de wetten der natuur.
    2. De leden zijn eigennamen. Voorbeeld:
      11Jan en Piet dragen een zak aardappelen.
    3. De leden zijn bepaalde naamwoordelijke constituenten die telbare zelfstandigheden aanduiden. Voorbeeld:
      12De hond van Joop, die blaft, en de hond van Bruno, die jankt, bijten niet.
    4. De leden zijn bepaalde naamwoordelijke constituenten met een voornaamwoord (anders dan dit en dat; zie [1][d]) als kern. Voorbeelden:
      13Deze hier en die daar moeten in de auto.
      14Jij en ik hebben het tenslotte gedaan.
      15Hij hier, die te laat kwam, en zij daar, die te vroeg wegging, mogen niet meer meedoen.
    5. Het distributieve karakter van de aaneenschakeling wordt expliciet aangeduid (zie [24.4.1]).
      Dit kan gebeuren doordat de werkwoordelijke constituent iets zegt wat geldt voor alle leden van de onderwerpsnevenschikking afzonderlijk, of, in het geval van een wederkerigheidsrelatie, voor alle leden ten opzichte van elkaar. Voorbeelden:
      16Hij die moordt en hij die brand sticht, verdienen beiden een zware straf.
      17Griekse kaas en Hollandse kaas hebben een heel verschillende smaak.
      18Een hond die blaft en een hond die jankt, bijten elkaar niet.
      De distributiviteit kan ook expliciet aangegeven worden doordat het naamwoordelijk deel van het gezegde meervoudig is. Voorbeelden:
      19Stof afnemen en stofzuigen zijn vervelende bezigheden.
      20Langs de weg en in het museum zijn niet de meest geschikte plaatsen hiervoor.
      21Goud en zilver zijn edele metalen.vergelijk 1
      22Dit en dat zijn dobbelstenen.vergelijk 8
  3. In andere gevallen kan de onderwerpsnevenschikking zowel met een enkelvoudige als met een meervoudige persoonsvorm verbonden worden. Onder andere de volgende mogelijkheden doen zich voor.
    1. De leden zijn onbepaalde naamwoordelijke constituenten die telbare zelfstandigheden aanduiden, terwijl de zin presentatief er bevat of kan bevatten (vergelijk [1][a]). Voorbeeld:
      23Er is/zijn een man en een vrouw aan de deur geweest.
    2. De leden zijn generieke of categoriale naamwoordelijke constituenten die identieke kernwoorden hebben (vergelijk [1][b] en [2][a]). Voorbeelden:
      24Wijn uit Roemenië en wijn uit Bulgarije wordt/worden hier niet verkocht.
      25Een hond die blaft en een hond die jankt, bijt/bijten niet.vergelijk ook 12 en 18
      26De speler die te laat aanwezig is en de speler die een van bovenstaande regels overtreedt, zal/zullen van deelneming aan het toernooi worden uitgesloten.
    3. De leden zijn generieke of categoriale naamwoordelijke constituenten met een aanwijzend of persoonlijk voornaamwoord als kern (vergelijk [1][c]). In dit geval heeft het enkelvoud de voorkeur. Voorbeeld:
      27Hij die moordt en hij die brand sticht, krijgt/krijgen een zware straf.
    4. De leden zijn bepaalde naamwoordelijke constituenten die niet-telbare zelfstandigheden aanduiden (vergelijk [2][c]). In dit geval heeft het meervoud de voorkeur. Voorbeelden:
      28Misschien liggen/ligt de ham en de kaas in de koelkast.(vergelijk ook 2)
      29De muziek en de beeldhouwkunst liggen/ligt hem na aan het hart.
    5. Eén van de leden is of bevat een persoonlijk voornaamwoord van de tweede persoon enkelvoud en de andere leden staan in de derde persoon: de persoonsvorm kan meervoudig zijn, maar zich ook richten naar het voornaamwoord. Voorbeelden:
      30Jij en je broer zullen/zult daarvoor aansprakelijk worden gesteld.
      31U en uw medewerkers zullen/zult gestraft worden.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links