Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
15.2 De bouw van de adjectivische constituent
Verder lezen
1a
Het centrale element van een adjectivische constituent is de kern. De kern bestaat uit een adjectief of een als adjectief gebruikt deelwoord (zie [6.2.3]). Die kern is - afgezien van gevallen van samentrekking (zie [27.4.5]) en ellipsen (bijv. (Ben je tevreden?) Een beetje.) - altijd verplicht aanwezig.
Zoals in [15.1] vermeld is, kunnen behalve de kern ook andere elementen deel uitmaken van een adjectivische constituent. Die elementen die het kernadjectief kunnen vergezellen, zijn te verdelen in toevoegingen en complementen.
Een voorbeeld van een toevoeging is de bepaling zeer in (een) zeer hard (gesteente). Anders dan de kern is een toevoeging niet verplicht aanwezig. Een toevoeging is met andere woorden vrij toevoegbaar. Vergelijk met elkaar:
1a(een) zeer hard (gesteente)
b(een) - hard (gesteente)
c(een) zeer - (gesteente)uitgesloten
We kunnen ook zeggen dat niet de toevoeging, maar de kern (hard in het gegeven voorbeeld) bepalend is voor de syntactische functie van het geheel.
Toevoegingen binnen adjectivische constituenten kunnen zowel vóór als na de kern voorkomen. Een toevoeging die vóór de kern staat, zoals zeer in het voorbeeld hierboven, noemen we een voorbepaling. Staat een toevoeging achter de kern, dan spreken we van een nabepaling. Nabepalingen komen alleen voor bij niet-attributief gebruikte adjectieven. Een voorbeeld met een voorbepaling én een nabepaling (beide zijn gecursiveerd) is:
2(Ik vind Harry) nogal fors van postuur.
Sommige toevoegingen komen gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk achter de kern. In dat geval spreken we van een omsluitende bepaling. Omsluitende bepalingen komen zowel bij attributief gebruikte als bij niet-attributief gebruikte adjectieven voor. Een voorbeeld van een omsluitende bepaling vormen de bij elkaar horende woorden zo...mogelijk in:
3(Ik zal het) zo kort mogelijk (houden).
Een voorbeeld van een complement binnen een adjectivische constituent is de voorzetselconstituent op vergaderen in tuk op vergaderen. Een dergelijk element heeft een hechte band met het kernadjectief, wat in dit geval tot uitdrukking komt door het vaste voorzetsel. Hoewel ook hier geldt dat het adjectief (in het voorbeeld tuk) en niet het complement bepalend is voor de syntactische functie van het geheel, kan een complement, anders dan een toevoeging, niet vrijelijk weggelaten worden. De kern vereist hier namelijk een aanvulling. Vergelijk bijv.:
4a(Hij is bepaald niet) tuk op vergaderen.
b(Hij is bepaald niet) tuk -.uitgesloten
c(Hij is bepaald niet) - op vergaderen.uitgesloten
Complementen binnen een adjectivische constituent kunnen niet alleen na de kern voorkomen, zoals in 4a, maar in sommige gevallen ook ervoor, bijv.:
5(de) op wraak beluste (milities)
Er dient op gewezen te worden dat met behulp van de zojuist genoemde criteria (het al dan niet hebben van een vast voorzetsel en het al dan niet weglaatbaar zijn) geen scherpe grens te trekken valt tussen toevoeging en complement.
1b
Het bovenstaande zou ten onrechte de indruk kunnen wekken dat het eenheidskarakter van alle hier en verderop in dit hoofdstuk gegeven voorbeelden zonder meer duidelijk is, of dat daar geen discussie over mogelijk is. Met name bij heel wat combinaties met een voorzetselconstituent kan die aanvulling immers gemakkelijk loskomen van het adjectief waar ze betrekking op heeft en bijvoorbeeld apart vooraan in een zin staan. Vergelijk:
6aHij was niet erg ingenomen met zijn nieuwe chef.
bMet zijn nieuwe chef was hij niet erg ingenomen.
7aHet betoog was wel helder van structuur.
bVan structuur was het betoog wel helder.
Naargelang van het standpunt dat men inneemt, kan men in een geval als 6, waarbij er sprake is van een vast voorzetsel, de voorzetselconstituent ook opvatten als een voorzetselvoorwerp bij het naamwoordelijke gezegde was ingenomen (vergelijk [20.6.2]) in plaats van als complement alleen maar bij ingenomen. Een ander geval vormt 7, zonder vast voorzetsel, waarbij het eveneens mogelijk is de voorzetselconstituent als een zelfstandig functionerend zinsdeel (bijwoordelijke bepaling) op te vatten. De voorzetselconstituent kan met andere woorden behalve als een constituent die deel uitmaakt van een adjectivische constituent ook beschouwd worden als een die erbuiten staat. We gaan hier niet verder op deze kwestie in. Voor de plaatsingsmogelijkheden van (voorzetsel)constituenten in een zin verwijzen we kortheidshalve naar het hoofdstuk over de woordvolgorde.
2
Bij attributief gebruik van een adjectief zijn combinaties mogelijk zoals:
8(het) altijd vrolijke (meisje)
9(dit) naar verhouding korte (hoofdstuk)
Combinaties als altijd vrolijk(e) en naar verhouding kort(e) moeten onderscheiden worden van gevallen zoals in 1 en in:
10(de) erg hoge (boom)
Zeer hard in 1 en erg hoge in 10a vormen telkens één geheel. Voor altijd vrolijke in 8 en naar verhouding korte in 9 geldt dit niet op dezelfde wijze. Het verschil kan duidelijk gemaakt worden bij niet-attributief gebruik van de adjectieven (als naamwoordelijk deel van het gezegde). Elementen als altijd en naar verhouding blijken dan apart op een andere plaats in de zin (bijvoorbeeld helemaal vooraan) te kunnen staan. Een element als erg kent die mogelijkheid niet. Vergelijk:
11aHet meisje is altijd vrolijk.
bAltijd is het meisje vrolijk.
12aDit hoofdstuk is naar verhouding kort.
bNaar verhouding is dit hoofdstuk kort.
13aDe boom is erg hoog.
bErg is de boom hoog.uitgesloten
Erg in 13a is dus een stuk van het naamwoordelijk deel van het gezegde, met andere woorden een zinsdeelstuk. Binnen de adjectivische constituent erg hoog is het voorbepaling bij de kern hoog.Altijd in 11a en 11b en naar verhouding in 12a en 12b hebben zelf zinsdeelkarakter.
Als we er nu van uitgaan dat er een correlatie bestaat tussen het gebruik van adjectieven als naamwoordelijk deel van een gezegde (het meisje is vrolijk) en het attributieve gebruik van dezelfde adjectieven, dus het gebruik als voorbepaling in een naamwoordelijke constituent (het vrolijke meisje), dan kunnen we zeggen dat in gevallen als 8 en 9 andere zinsdelen samen met het naamwoordelijk gezegde in een naamwoordelijke constituent geïncorporeerd zijn. Ook voor een voorbeeld als 5 kan die redenering gevolgd worden.
In dit hoofdstuk gaan we alleen uitvoerig in op de interne structuur van combinaties als erg hoge/hoog in 10 en 13. Gevallen van incorporatie zoals in 8 en 11 en 9 en 12, en in (een) grammaticaal onjuist (voorbeeld), (de) in Bulgarije gangbare (gewoontes) en (het) met blokken spelende (kind) worden behandeld in [14.5.1.3].
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links