Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.2.3 Overgankelijke (transitieve) en onovergankelijke (intransitieve) werkwoorden
Verder lezen
1
De zelfstandige werkwoorden kunnen verdeeld worden in overgankelijke (transitieve), die in de zin waarin ze voorkomen een lijdend voorwerp bij zich hebben, en onovergankelijke (intransitieve), waarvoor dit niet geldt.
Zo zijn beheersen, maken, plaatsen en verschaffen in de volgende zinnen overgankelijk (de werkwoorden en de lijdende voorwerpen zijn gecursiveerd):
1Hij beheerste die techniek volledig.
2O, dat maak ik wel even.
3Kunt u die televisie nog deze week plaatsen?
4Ze verschafte hem een alibi.
In de volgende zinnen zijn blaffen, groeien, klimmen en zitten onovergankelijk (alleen de werkwoorden zijn gecursiveerd):
5De hond blafte onophoudelijk.
6De planten groeien hier goed.
7Rap als een eekhoorn klom Jozef in de boom.
8Hij zat weer eens achterstevoren op zijn fiets.
2
Een groot aantal werkwoorden wordt altijd overgankelijk of altijd onovergankelijk gebruikt. Zo zijn in 9 en 10 de (b) -zinnen uitgesloten, waaruit blijkt dat maken altijd overgankelijk en zitten altijd onovergankelijk is:
9aIk maak iets.
bIk maak.uitgesloten
10aHè, hè, ik zit.
bIk zit iets.uitgesloten
Veel werkwoorden kunnen echter zowel overgankelijk als onovergankelijk gebruikt worden. Ze zijn in vier groepen te verdelen.
  1. Een aantal werkwoorden die een lijdend voorwerp bij zich kunnen hebben, kan ook voorkomen zonder lijdend voorwerp. Ze duiden een werking aan die betrekking heeft op iets wat al dan niet uitgedrukt kan worden. Zo veronderstelt eten iets wat gegeten wordt, maar in zin 11a wordt dat genoemd en in 11b niet. Deze werkwoorden kunnen, zoals uit de meeste voorbeelden blijkt, met en zonder lijdend voorwerp gecombineerd worden terwijl het onderwerp hetzelfde blijft. Ze worden vaak zonder meer overgankelijk genoemd, ook als ze zonder lijdend voorwerp voorkomen. Hieronder worden enkele voorbeelden van dergelijke werkwoorden gegeven, in de (a) -zinnen met en in de (b) -zinnen zonder lijdend voorwerp gebruikt (werkwoord en lijdend voorwerp zijn gecursiveerd):
    11aHij eet een boterham.
    bHij eet altijd in de kantine.
    12aOpa leest de krant.
    bOpa leest nog zonder bril.
    13aZe rookt een sigaret.
    bZe rookt al jaren niet meer.
    14aMag ik u van harte feliciteren?
    b(Op een receptie: ) Heb je al gefeliciteerd?
    15aHij gaat zijn huis verkopen.
    bHij denkt erover te gaan verkopen.
    16aHij verdient veel geld.
    bHij verdient goed.
  2. Een aantal werkwoorden kan zowel overgankelijk als onovergankelijk worden gebruikt naargelang van de betekenis, en, daarmee samenhangend, het soort onderwerp waarmee ze gecombineerd worden. De betekenis van het overgankelijk gebruikte werkwoord is dikwijls te omschrijven als: 'veroorzaken wat door het onovergankelijk gebruikte werkwoord wordt uitgedrukt'. Een enkele keer bestaan er voor deze beide betekenissen twee verschillende werkwoorden, bijv. vallen en vellen'doen/laten vallen', drinken en drenken'doen/laten drinken', liggen en leggen'doen/laten liggen' Werkwoorden als vellen, drenken en leggen worden causatieve werkwoorden genoemd.
    In de volgende voorbeelden zijn de werkwoorden in de (a) -zinnen overgankelijk, in de (b) -zinnen onovergankelijk (werkwoord en lijdend voorwerp zijn gecursiveerd):
    17aHij bewoog zijn hand op en neer.
    bZijn hand bewoog op en neer.
    18aZe smelt de boter in de pan.
    bDe boter smelt in de pan.
    19aIk heb mijn jas gescheurd.
    bHet papier scheurt.
    20aHet koude kompres verkoelde het hoofd van de zieke.
    bHun vriendschap verkoelt.
    21aHij breekt een ruit.
    bDe ruit breekt.
    Soms is het betekenisverschil tussen het overgankelijke en het onovergankelijke werkwoord van andere aard dan in de hierboven gegeven voorbeelden:
    22aDe lokettiste woog het pakje.
    bHet pakje woog niet veel.
    23aHij slaat het paard.
    bHet geweer slaat geweldig.
    24aHij kraakt een noot.
    bDe deur kraakt.
  3. Een aantal werkwoorden die gewoonlijk overgankelijk zijn, kan onovergankelijk gebruikt worden in constructies - zogenaamde mediumconstructies - die afgezien van het ontbreken van een lijdend voorwerp de volgende kenmerken hebben:
    • het onderwerp is altijd een derde persoon enkelvoud of meervoud en duidt geen menselijk wezen aan;
    • er is een bijwoordelijke bepaling vereist die een waarderend element aan het gezegde toevoegt;
    • het werkwoord treedt doorgaans als persoonsvorm op en staat meestal in de tegenwoordige tijd.
    De zin heeft een passieve betekenis doordat het onderwerp een element is dat bij overgankelijk gebruik van het desbetreffende werkwoord als lijdend voorwerp kan fungeren (vergelijk 25b met 25a). Voorbeelden:
    25aDat nieuwe boek verkopen we tegen intekenprijs.
    bDat nieuwe boek verkoopt goed. ('Dat nieuwe boek wordt goed verkocht.')
    26Draait die film al lang? ('Wordt die film al lang gedraaid?')
    27Beleidsstukken lezen nu eenmaal moeilijker dan verhalen. (' Beleidsstukken zijn moeilijker te lezen/kunnen moeilijker gelezen worden.')
    Voorbeelden waarin het werkwoord in een verledentijdsvorm (imperfectum of perfectum) optreedt (en in het tweede geval dus in de vorm van een voltooid deelwoord), zijn respectievelijk:
    28Zijn laatste roman verkocht helemaal niet.
    29Die film heeft slechts twee weken gedraaid.
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Ook zinnen als:
    iNieuwe schoenen lopen lastig.
    iiAsfalt fietst prettiger dan grind.
    iiiDat huis woont prettig.
    ivDie stoel zit heel lekker.
    voldoen aan de genoemde criteria. Het verschil is evenwel dat het werkwoord afgezien van de onder categorie [4][d] vermelde gevallen altijd onovergankelijk gebruikt wordt. Er is hier dan ook geen sprake van een passieve betekenis. Zulke zinnen vertonen meer overeenkomst met onpersoonlijke constructies (zie 2.2.5, sectie 3b).
  4. Een aantal werkwoorden is meestal onovergankelijk, maar kan onder bepaalde voorwaarden overgankelijk gebruikt worden. Er kunnen vijf gevallen onderscheiden worden.
    1. Het werkwoord wordt vergezeld door een adjectief dat het resultaat van de werking aangeeft met betrekking tot datgene wat door de naamwoordelijke constituent (het voorwerp) genoemd wordt; het werkwoord neemt de betekenis aan van: 'maken of veroorzaken, door de werking te verrichten die het onovergankelijke werkwoord aanduidt'. Zo wordt bijv. het onovergankelijke praten overgankelijk in zin 30, die te omschrijven is als 'Zij maakte me doof door (voortdurend) te praten'. Het adjectief fungeert als een bepaling van gesteldheid ten gevolge van de handeling [20.9.4]. Voorbeelden (alleen het desbetreffende werkwoord is hier gecursiveerd):
      30Zij praatte me doof.
      31Hij lachte zijn tanden bloot.
      32Ik pieker mijn kop suf.
      Opmerking
      Verdieping
      Opmerking
      Doordat werkwoord en adjectief nauw samenhangen is er in een aantal gevallen zelfs sprake van samengestelde (overgankelijke) werkwoorden [12.2.2.3], bijv.:
      iIk loop altijd mijn hakken scheef.
      Vergelijk met de bovenstaande voorbeelden verder: (iets) volproppen, (iets/iemand) doodzwijgen.
    2. Het werkwoord wordt vergezeld door een naamwoordelijke constituent (als voorwerp) en een voorzetselconstituent (als plaatsaanduiding), die samen het resultaat van de werking aangeven (in de gevallen onder [a] is het voorwerp zelf niet het resultaat), bijv.:
      33Hij viel een gat in zijn hoofd.
      34Jeroen sprong van vreugde een gat in de lucht.
      35Je moest je ogen uit je hoofd schamen!
    3. Een onpersoonlijk werkwoord (zie [2.2.5]), meestal regenen, heeft een lijdend voorwerp bij zich, dat het 'product' van de werking noemt; het gaat daarbij om een precisering van de inhoud of een constituerend element van het gebeuren:
      36Het regent complimentjes.
      37Het regende, ik mag wel zeggen: het hagelde verwijten.
    4. Aan een werkwoord wordt een lijdend voorwerp toegevoegd dat dezelfde werking weergeeft als door het werkwoord wordt uitgedrukt, of dat die werking nader specificeert:
      38Hij heeft een zware strijd gestreden.
      39Ze zijn de heldendood gestorven.
      40Kun jij een polka dansen?
      41Ze ging nog een baantje zwemmen.
      42Hij loopt de mijl in ruim vier minuten.
    5. Allerlei werkwoorden, bijv. brommen, knorren, snauwen, kunnen de betekenis krijgen van: 'uiten op de manier die door het werkwoord wordt aangeduid'. Ze worden dan verbonden met een lijdend voorwerp, dat dikwijls de vorm heeft van een zin in de directe rede. Enkele voorbeelden:
      43'Ik hoef nog niet op te staan', knorde ze.
      44Hij bromde een onverstaanbare groet en verdween.
      45De luitenant snauwde een bevel.
      In andere gevallen drukt het werkwoord veeleer een begeleidende activiteit of werking uit, bijv. lachen of tussenbeide komen:
      46'Kom maar binnen, hoor jongens', lachte de boerin.
      47'Dat moeten jullie nou niet doen', kwam Mies tussenbeide.
      Het betreft hier een stijlgebonden verschijnsel, dat in literatuur voorkomt (en vooral voorkwam bij impressionistische schrijvers). Zie ook (zie 19.2.4, opmerking 2).
3
Overgankelijke werkwoorden kunnen in de regel in het passief gezet worden. Een aantal (categorieën van) overgankelijke werkwoorden echter laat geen passiefvorming toe, te weten:
  • wederkerende werkwoorden en wederkerende verbindingen, bijv.:
    zich scheren, zich vergissen, z'n neus ergens insteken (= 'zich bemoeien met'), z'n kop suf piekeren (= 'zich suf piekeren')
    ;
  • werkwoorden die een vorm van 'hebben' of het tegendeel daarvan uitdrukken, bijv.:
    behelzen, bevatten, bezitten, hebben, inhouden, omvatten, missen
    ; Een voorbeeld met omvatten is:
    48Het studieprogramma omvat verschillende onderdelen.
  • werkwoorden die een vorm van 'krijgen' uitdrukken (vergelijk(22.4.2.1)), bijv.:
    krijgen, ontvangen
    ;
  • werkwoorden die een vorm van 'weten' uitdrukken, bijv.:
    kennen, weten
    ; Een voorbeeld met kennen is:
    49Hij kende dat liedje niet.
    Wel mogelijk is evenwel het passief van begrijpen:
    50Dat werd niet meteen door iedereen begrepen.
  • werkwoorden die een min of meer vaste uitdrukking vormen met een lijdend voorwerp dat een lichaamsdeel noemt, bijv.:
    de benen nemen, een/de hand geven, de hand schudden, het hoofd schudden
    . Als er sprake is van meer letterlijk gebruik, dan is passiefvorming soms weer wel mogelijk, bijv.:
    51Er werden op die receptie heel wat handen geschud.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links