Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.3.2.8.iv.e Het gebruik van hebben en zijn bij groepen van werkwoorden
Verder lezen
1
Voor de vorming van voltooide tijden van werkwoorden die zelf al groepsvormend gebruikt zijn [18.5.1], geldt de volgende algemene regel: het hulpwerkwoord van tijd is hebben als het betrokken werkwoord in niet-groepsvormende functie met hebben vervoegd wordt (bijv. liggen), anders zijn (bijv. bij beginnen). Vergelijk de volgende zinsparen, waarin een werkwoord telkens in de eerste zin zelfstandig en in de tweede zin groepsvormend gebruikt wordt (voor het gebruik van een infinitief in plaats van een voltooid deelwoord zie [18.5.2.1/ii]):
1aPetra heeft de hele middag in bed gelegen.
bPetra heeft de hele middag in bed liggen lezen.
2aRekenen? Dat heb ik nooit goed gekund.
bIk heb nooit goed kunnen rekenen.
3aWe hebben de koningin gezien.
bWe hebben de koningin zien voorbijkomen.
4aOom Jan heeft het nog geprobeerd, maar vergeefs.
bOom Jan heeft het nog proberen te doen, maar vergeefs.
5aZijn jullie de hele middag in de kantine gebleven?
bZijn jullie de hele middag in de kantine blijven zitten?
6aVader is weer naar zijn geliefkoosde viswater geweest.
bVader is weer wezen vissen.
7aDe winter is gisteren begonnen.
bHet is gisteren beginnen te vriezen.
2
In de tot nog toe gegeven voorbeelden ging het om de uitbreiding van een tweeledige werkwoordgroep (bijv. liggen lezen in 1b). Als een meerledige groep in een voltooide tijd gezet moet worden, kan zich een complicatie voordoen. Bevat zo'n groep groepsvormende werkwoorden die ieder afzonderlijk met een verschillend hulpwerkwoord van tijd vervoegd worden (bijv. blijven staan wachten: blijven wordt met zijn vervoegd, maar staan met hebben), dan kan in de voltooide tijden - dus bij uitbreiding van de oorspronkelijke groep - naast zijn ook hebben gebruikt worden. Zie de volgende voorbeelden en vergelijk 8 met 1:
8aPetra is nog wat in bed blijven liggen lezen.
bPetra heeft nog wat in bed blijven liggen lezen.
9aWaarom zijn jullie niet even blijven staan wachten?
bWaarom hebben jullie niet even blijven staan wachten?
Een tweede uitzondering op de algemene regel vormen de werkwoorden durven, kunnen, moeten (en hoeven), mogen, proberen, trachten, weten en willen, in zoverre dat ze weliswaar altijd met hebben vervoegd kunnen worden, maar indien gecombineerd met een zelfstandig werkwoord dat in de voltooide tijden zijn krijgt (bijv. blijven: is gebleven), óók met zijn. Anders geformuleerd: het hulpwerkwoord van tijd kan zich ook naar het zelfstandig werkwoord richten. Van onderstaande zinnen kunnen dus zowel de (a) - als de (b) -varianten voorkomen:
10aHij heeft niet langer dan een uur durven blijven.
bHij is niet langer dan een uur durven blijven.
11aDoor de gladheid hebben ze niet kunnen komen.
bDoor de gladheid zijn ze niet kunnen komen.
12aAls voorzitter heeft hij tot het bittere einde moeten blijven.
bAls voorzitter is hij tot het bittere einde moeten blijven.
13aDe arrestant heeft proberen/trachten te ontsnappen.
bDe arrestant is proberen/trachten te ontsnappen.
14aDe arrestant heeft toch weten te ontsnappen.
bDe arrestant is toch weten te ontsnappen.
15aZe heeft daar sindsdien nooit meer naartoe willen gaan.
bZe is daar sindsdien nooit meer naartoe willen gaan.
De voorkeur voor één van beide varianten kan verschillen naargelang van het zelfstandig werkwoord en/of de combinatie van werkwoorden. Er doen zich ook individuele verschillen in voorkeur voor tussen taalgebruikers. Afgezien van dit alles is de voorkeur voor één van beide varianten ook niet in alle delen van het taalgebied dezelfde. Hoewel er nogal wat geografische variatie blijkt te zijn, kan hierin toch een algemene tendens aangegeven worden: in Nederland kiest men veeleer voor hebben, in België - zij het in minder sterke mate - voor zijn.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Als in dergelijke zinnen een bepaling voorkomt die alleen maar bij de eerste infinitief kan horen, dan is alleen hebben mogelijk:
iaIk heb vruchteloos proberen te ontkomen.
bIk ben vruchteloos proberen te ontkomen.uitgesloten
Kan de bepaling zowel bij de eerste als bij de tweede infinitief horen, dan zijn weer zowel hebben als zijn mogelijk:
iiaIk heb zo gauw mogelijk proberen te ontkomen.
bIk ben zo gauw mogelijk proberen te ontkomen.
Het gaat hier alleen om gevallen waarin proberen groepsvormend gebruikt is. Is het daarentegen niet-groepsvormend gebruikt (zie [18.5.1.2/1[b]] [18.5.1.2/1[c]]), dan is alleen hebben als hulpwerkwoord van tijd mogelijk. Vergelijk iii met iia:
iiiIk heb zo gauw mogelijk geprobeerd te ontkomen.
Bij meerledige werkwoordgroepen is de zojuist besproken dubbele mogelijkheid voor de vorming van voltooide tijden er niet, zeker niet als alle groepsvormende werkwoorden afzonderlijk met hebben vervoegd worden. Vergelijk:
16aZe hadden de optocht jammer genoeg niet goed kunnen zien voorbijkomen.
bZe waren de optocht jammer genoeg niet goed kunnen zien voorbijkomen.uitgesloten
17aIk heb altijd op bezoek willen blijven komen, maar ik mocht niet van jou.
bIk ben altijd op bezoek willen blijven komen, maar ik mocht niet van jou.twijfelachtig
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links