Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.7.1 Zinsaccent
In een zin hebben sommige woorden meer nadruk dan andere woorden. Deze woorden dragen een zinsaccent: een prominentieverlenende toonhoogtebeweging. Doorgaans valt deze op de beklemtoonde lettergreep van een woord. Een zin moet één of meerdere zinsaccenten hebben. Een zinsaccent geeft aan welk gedeelte van de zin focus draagt. Focus is het gedeelte van de zin waarop de spreker de aandacht van de hoorder wil richten. Er zijn verschillende factoren die de plaatsing van het zinsaccent beïnvloeden.
Zie ook Gussenhoven (1983c) voor een systematische analyse van de plaatsing van het zinsaccent.
Eén van de functies van focus is het aangeven van de informatiestructuur van een zin. Dat is de verhouding tussen oude en nieuwe informatie. Woorden of woordgroepen die nieuwe of anderszins belangrijke informatie aangeven krijgen een zinsaccent, terwijl bekende of onbelangrijke onderdelen van de zin accentloos zijn. Bekijk het volgende voorbeeld (waarbij de lettergreep met het zinsaccent in hoofdletters is gedrukt):
1(Waar is Jan?) Jan is in de KAmer.
De woordgroep in de kamer in (1) bevat nieuwe informatie en draagt focus. Elke woordgroep die focus draagt krijgt één zinsaccent, wat betekent dat in de kamer een zinsaccent krijgt. De constituent Jan in (1) krijgt geen accent, omdat Jan al bekende informatie is (want Jan is genoemd in de vraag) en geen focus draagt.
Focus kan ook gebruikt worden om een contrast aan te geven. Een zinsaccent dat een contrast aangeeft noemen we ook wel een contrastaccent.
2(Is Jan in de kamer of in de keuken?) Jan is in de KAmer, niet in de KEUken.
In (2) markeren de accenten op kamer en keuken het contrast tussen deze twee verschillende locaties.
De syntactische structuur van een zin kan de plaatsing van zinsaccenten beïnvloeden. Zo zagen we in (1) dat het accent binnen de woordgroep in de kamer op het zelfstandig naamwoord kamer valt, oftewel op het inhoudswoord, en niet op één van de functiewoorden.
Functiewoorden met focus krijgen in sommige gevallen wel een zinsaccent, zie paragraaf 1.7.1.2 en Booij (1995: 158).
Verder valt het zinsaccent gewoonlijk niet op syntactische constituenten aan de rechterrand van een zin, zoals bijwoordelijke bepalingen van plaats of tijd. Aan de andere kant krijgen constituenten die getopicaliseerd zijn wel een zinsaccent, ook al geven ze geen nieuwe informatie of een contrast. Een voorbeeld is gegeven in (4):
Bron: Booij (1995: 158).
3(Wat is er gebeurd met Yvonne?) YVOnne heeft hij gearresTEERD.
Omdat ze al genoemd is in de vraag, is Yvonne gegeven informatie. Toch krijgt Yvonne een zinsaccent, omdat deze constituent voorop is geplaatst door topicalisatie.
Wanneer een woord een zinsaccent krijgt, valt het accent altijd op de beklemtoonde lettergreep van dat woord, de lettergreep met hoofdklemtoon. Lettergrepen met een zinsaccent hebben alle fonetische kenmerken van woordklemtoon en daarbij ook de fonetische kenmerken van een zinsaccent. Zinsaccenten worden voornamelijk gekenmerkt door een toonhoogtebeweging, zoals een stijging of daling in de toonhoogte. Hierdoor ontstaat er een toonhoogteaccent op de lettergreep die het ankerpunt vormt voor het zinsaccent. Daarnaast worden in het Nederlands alle lettergrepen van woorden met een zinsaccent verlengd.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Nelleke Jansen november 2020
    Interessante links