Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.2.1.4 Beperkingen op het rijm van een lettergreep
Een rijm kan na de klinker maximaal twee consonanten bevatten, alleen als de klinker ongespannen is, en één consonant als de klinker gespannen is of een sjwa. Woordinterne coda’s met een maximale lengte eindigen meestal in een obstruent, dus niet in een sonorante medeklinker.
Trommelen (1984: 121).
Deze tendens zien we in het verschil tussen de woorden in (1a) en de als afwijkend ervaren klankreeksen in (1b):
1abauk.siet
ahyp.nose
akloos.ter
b*marn.da.rijn (vgl. man.da.rijn)
b*teem.po (vgl. tem.po)
b*term.po (vgl. tem.po)
Deze beperking kent echter uitzonderingen,
Zie Booij (1984), Kager (1989), Botma et al. (2008).
woorden met een sonorante consonant na een gespannen klinker aan het eind van de eerste syllabe, zoals:
2weel.de, aar.de, Maar.ten, pien.ter, vaan.del
Bovendien geldt deze beperking niet voor morfologisch gelede woorden zoals die in (3):
3baar.den, beem.den, maan.den, naal.den
kerm.de, talm.de, duw.de, zwaai.de
De tendens dat in ongelede woorden sonorante medeklinkers niet optreden aan het eind van een rijm met drie posities kan daarom beter gezien worden als een morfeemstructuurconditie.
Tweeklanken kunnen in een rijm niet gevolgd worden door een glijklank of een r. Dat tweeklanken niet voor een r in hetzelfde rijm kunnen optreden, kan worden verklaard vanuit de daarvoor noodzakelijke articulatie: om de tweede helft van een tweeklank te realiseren moet de tong bewegen in de richting van de positie van de hoge klinkers, maar de r vereist juist beweging in de richting van het centrum van de klinkerruimte.
Koopmans-Van Beinum (1969).
Deze beperking laat ook de cruciale rol van lettergreepstructuur zien, want als de r in de volgende lettergreep staat, is er geen probleem: woorden als Beira, Europa œyropa, neuron nœyrɔn, laurier en Laura zijn probleemloos uitspreekbaar.
Zie Zonneveld & Trommelen (1980).
De glijklanken j en w komen alleen voor aan het eind van een coda na een klinker, maar niet na een ongespannen klinker: mooi moj, draai draj, nieuw niw, duw dyw, leeuw lew. Zo zijn bijvoorbeeld *drai drɑj en *lew lɛw onmogelijke woorden. Uitzonderingen zijn uitroepen als hoi hɔj en leenwoorden als mais, boiler en detail. De j komt alleen voor na lange achtervocalen (4a), en de w alleen na lange voorvocalen (4b):
4aroei /ruj/, mooi /moj/, saai /saj/
bnieuw /niw/, uw /yw/, leeuw /lew/
Deze beperkingen laten ook het verschil zien tussen de echte tweeklanken ɛi, ɔu, œy en combinaties van een klinker en een glijklank. Na echte tweeklanken kan in het rijm probleemloos een medeklinker volgen, als in eik, oud, en huik, maar niet na een cluster klinker+ glijklank. Rijmen als *aik, *aip, en *aim zijn niet mogelijk.
Daarom worden diftongen opgevat als complexe nucleï, terwijl een glijklank in de coda staat; zie Booij (1989).
De velaire nasaal ŋ kan alleen voorafgegaan worden door korte, ongespannen klinkers. Naast bang en streng zijn woorden als *baang en *streeng dus onmogelijk.
Voor deze beperking is een historische verklaring mogelijk: de velaire nasaal was oorspronkelijk de reeks ŋg, een consonantcluster dus, en de ŋ gedraagt zich daarom fonotactisch nog steeds als een cluster waardoor er alleen ongespannen klinkers aan vooraf kunnen gaan; zie Booij (1980).
De sjwa stelt specifieke eisen aan de coda’s waarmee deze klinker gecombineerd kan worden. De sjwa is fonetisch kort, maar gedraagt deze zich qua combineerbaarheid als een gespannen klinker, want er kan maximaal één medeklinker in de coda op volgen. Bovendien komen niet alle medeklinkers voor in de coda van sjwa-syllaben, en sommige slechts marginaal, met name de obstruenten. De meeste van deze obstruenten vertonen nooit een alternantie met een stemhebbende tegenhanger: er zijn geen onderliggende vormen met əb, əd of əf. De combinatie ə + velaire wrijfklank vinden we vrijwel uitsluitend in woorden die eindigen op het suffix -ig, en in enkele woorden waarin we geen suffix meer herkennen, zoals hevig en lenig. De coda -ək vinden we vooral in woorden die eindigen op het suffix -lijk, zoals menselijk.
Zie Van Oostendorp (1997).
Dit zijn de coda’s die voorkomen:
Tabel 1. Coda: sjwa met consonant
-əl zetel
-ər ader
-əm bezem
-ən leven
-əp Wezep
-ət lemmet
-ək monnik, lelijk
-əf gannef
-əs lobbes
-əx/əɣ schunnig, zuinig
Dergelijke clusters kunnen in ongelede woorden nog wel gevolgd worden door een alveolaire obstruent, zoals in arend, wereld, en buizerd. Er zijn geen lettergrepen met een sjwa gevolgd door een glijklank of een velaire nasaal.
Verder lezen
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij juli 2020
    Interessante links