Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1.1.1.1 Klinkerdiagrammen en formanten
De distinctieve eigenschappen met betrekking tot klinkerhoogte en plaats van articulatie kunnen afgelezen worden uit zogenaamde klinkerdiagrammen (ook wel klinkerdriehoek genoemd). Die articulatorische dimensies corresponderen met de eerste twee formanten van klinkers: versterkte frequenties op basis waarvan we de klinkers kunnen onderscheiden.
Verder lezen
Klinkerdiagrammen
Klinkers kunnen gerepresenteerd worden in zogeheten klinkerdiagrammen, zie Figuur 1 voor de klinkers in het Nederlands Nederlands en Figuur 2 voor de klinkers in het Belgisch Nederlands. De figuren laten subtiele allofonische verschillen zien tussen de klinkers in het Nederlands Nederlands vs. het Belgisch Nederlands. De linkerdiagrammen representeren de monoftongen, zoals de i in biet of de ɑ in kat; de rechterdiagrammen representeren de diftongen of tweeklanken, zoals de œy in puin.
Zie ook Van der Harst (2011: 11).
De fonemen met het lengtesymbool (:) zijn leenvocalen.
Figuur 1. Vocaaldiagrammen voor Nederlands Nederlands: monoftongen (links) en diftongen (rechts) (Bron: Gussenhoven 1992: 47)
Figuur 2. Vocaaldiagrammen voor Belgisch Nederlands: monoftongen met uitzonering van de sjwa (links) en diftongen (rechts) (Bron: Verhoeven 2005: 245)
Klinkerhoogte is af te lezen op de verticale as; de plaats van de articulatie op de horizontale as. Hoge (of gesloten) klinkers vinden we boven in de klinkerdiagrammen, zoals de i en de u. Ze worden geproduceerd met de tong dichtbij het gehemelte. Lage (of open) klinkers, met de tong verder weg van het gehemelte, namelijk de a en de a, vinden we onder in de klinkerdiagrammen. Bij de plaats van de articulatie gaat het om waar de vernauwing tussen tong en gehemelte plaatsvindt. Voorklinkers, zoals de i en de ε, staan meer naar links in een klinkerdiagram; achterklinkers, zoals de a en de u, meer naar rechts.
Tweeklanken, in de rechterdiagrammen van Figuren 1 en 2, worden gekenmerkt doordat er een verglijding optreedt tussen de begin- en eindpositie van de tong. Eventueel zijn er ook verschillende begin- en eindposities van de lippen (bijv. bij ɑu: van ongerond naar gerond). De Nederlandse tweeklanken vertonen alle drie een verglijding van een opener naar een geslotener klinker: het zijn stijgende diftongen, zie de opwaartse pijlen in Figuren 1 en 2. In het rechterdiagram van Figuur 1 worden de middenvocalen e, ø, o ook als tweeklanken voorgesteld, aangezien deze klinkers in het Nederlands Nederlands worden gerealiseerd met een (lichte) verglijding naar de posities van respectievelijk i, y en u.
Zie Booij (1995: 5), Jacobi (2009)
Meer over diftongen
Verdieping
Meer over diftongen
Een iets ander beeld van de Nederlandse diftongen wordt geschetst in Van der Harst (2011:173), die op basis van akoestische metingen tot het klinkerdiagram in Figuur 3 komt. Uit Figuur 3 blijkt dat er een aantal verschillen zijn tussen Nederlands Nederlands en Belgisch Nederlands in de fonetische realisatie van de tweeklanken: in het Nederlands Nederlands is de aanzet van de tweeklanken opvallend lager/opener en is de mate van verglijding (tussen het eerste en tweede element) sterker dan in het Belgisch Nederlands. Bovendien wordt het tweede element van de œy in het Belgisch Nederlands veel meer naar voren in de mond gerealiseerd.
Zie ook Van de Velde et al. (2010: 396) voor meer gedetailleerde informatie over de uitspraak van de tweeklanken in verschillende regio’s in Nederland en Vlaanderen; zie ook 1.1.2.1.1 De uitspraak van diftongen.
Figuur 3. Vocaaldiagram voor Nederlands Nederlands (cirkels) en Belgisch Nederlands (driehoeken) gebaseerd op de gemiddelde formantwaarden (F1 en F2) voor de begin- en eindklank van de diftongen (Bron: Van der Harst (2011: 173).
De formanten van klinkers
Hoe kunnen we de verschillen tussen klinkers horen? Ze bestaan ieder uit een complex van periodieke trillingen. De vorm van de mond-keelholte bepaalt welke frequenties versterkt worden. Die versterkte frequenties noemen we de formanten van de klinkers.
De mond-keelholte wordt ook wel het aanzetstuk genoemd. De vorm van het aanzetstuk varieert van klank tot klank en wordt bepaald door de stand van de tong, kaak, lippen, en keelwand. Ook is de plaats van het brongeluid van belang: in het geval van stemhebbende klanken wordt dat bij het strottenhoofd geproduceerd en het aanzetstuk omvat dan zowel keel, mond als neus (in het geval van neusklanken).
Bij stemloze fricatieven daarentegen ontstaat het brongeluid pas bij de plaats van vernauwing in het mond-keelkanaal. Het aanzetstuk omvat dan alleen de holte voorbij de plaats van vernauwing.
Voor de productie van klinkers, zoals de u, kan het aanzetstuk in een sterk vereenvoudigde weergave voorgesteld worden zoals in Figuur 4.
Figuur 4. De ‘tweelingbuis’ als model voor de klinker /u/ (Bron: Rietveld & Van Heuven 2016: 143)
Bij de productie van klinkers is er een smalle doorgang tussen de tong en het gehemelte, die in Figuur 1 wordt voorgesteld door A1. De lengte ervan is aangeduid met L1. De lipvorm wordt voorgesteld door de uitstulping vooraan, met als doorsnede A2 en L2 als lengte. Doorgang A1 verbindt de twee zogenoemde resonatoren in het aanzetstuk: de keelholte (of achterholte), voorgesteld door V1, en de mondholte (of voorholte), voorgesteld door V2. De geluidsgolven die geproduceerd worden in het strottenhoofd, botsen tegen de wanden van deze resonatoren en ontsnappen via A1 en A2.
Als de toon van de geluidsbron overeenkomt met de resonantiefrequentie van de resonator (V1 of V2), worden de heen- en weergaande geluidsgolven versterkt. Welke golven (bijv. lage tonen vs. hoge tonen) worden versterkt of juist verzwakt, wordt bepaald door de vorm van het aanzetstuk (Figuur 4). De resonantiefrequentie neemt toe bij een kleiner volume van V1 en/of V2 en neemt af als het volume groter wordt; ze neemt af als de tuitlengte L1 en/of L2 toeneemt (en omgekeerd); en ze neemt af als de diameter van de tuit (A1 en/of A2 ) kleiner wordt (en omgekeerd).
De frequenties van een klinker die versterkt worden door de karakteristieke vorm van het aanzetstuk voor die klinker noemen we de formanten van die klinker. De eerste piek komt overeen met de grondfrequentie (F0), die bepaald wordt door de snelheid waarmee de stembanden trillen. De volgende pieken zijn de formanten; deze zijn genummerd van lage naar hoge frequentie, namelijk F1, F2, enzovoort. Iedere klinker heeft dus een aantal formanten, waarvan de eerste formant (F1) en de tweede formant (F2) voldoende zijn om ze van elkaar te onderscheiden, zoals aangegeven in Figuur 5. De figuur laat zien dat articulatorische dimensies van een klinkerdiagram, namelijk klinkerhoogte en plaats van articulatie, corresponderen met de eerste twee formanten. De hogere formanten (F3 etc.) bepalen de klankkleur van iedere klinker nog verder.
Figuur 5. Formanten van de klinkers (behalve de sjwa) van mannen in het Nederlands (naar Pols 1977) (Bron: Rietveld & Van Heuven 1997: 133)
Als bijvoorbeeld de plaats van vernauwing van tong en gehemelte meer naar achteren in de mond plaatsvindt, dan neemt V1 in omvang af, terwijl V2 groter wordt. Dit impliceert dat de resonantiefrequentie van V1 (F1 of eerste formant) toeneemt, terwijl die van V2 (F2 of tweede formant) afneemt. Verder speelt ook de mate van vernauwing een rol: naarmate de tong een hogere stand inneemt, neemt A1 af, waardoor de resonantiefrequentie van de achterholte (F1) afneemt. Ook de doorsnede (A2) en lengte (L2) van de uitstulping spelen een rol: bij getuite lippen neemt L2 toe, waardoor de resonantiefrequentie van de voorholte (F2) zal afnemen. Ten slotte heeft lipronding een verlagend effect op de F1 en F2, omdat door ronding het hele stelsel wordt verlengd (met als gevolg grotere volumes van beide holtes).
F1 wordt vooral geassocieerd met klinkerhoogte: een hogere F1 correspondeert met een opener spraakkanaal. De vernauwingsplaats wordt dan weer geassocieerd met de tweede formant: een klinker die meer naar voren in de mond wordt gearticuleerd heeft een hogere F2, een achterklinker heeft een lagere F2. Het al of niet ronden van de lippen wordt geassocieerd met de eerste en tweede formant: die zijn lager bij klinkers met lipronding. In het Taalportaal  worden per klinker de referentiewaarden van F1 en F2 gegeven.
De akoestische analyse van spraak
Verdieping
De akoestische analyse van spraak
Elk spraakgeluid kan worden voorgesteld door een complex golfpatroon van luchttrillingen.
Zie Rietveld & Van Heuven (2016: 133-147) voor een gedetailleerde uitleg over spectra en formanten van klinkers. De hier gegeven uitleg is daar een samenvatting van.
Dit golfpatroon verschilt van klank tot klank. Zo doet er zich in het golfpatroon van stemhebbende klanken, zoals klinkers, bijvoorbeeld periodiciteit of herhaling voor, die in het golfpatroon van stemloze klanken volledig ontbreekt. Een dergelijk golfpatroon kan nauwkeurig beschreven worden door middel van een spectrum: een grafiek met op de horizontale as de frequenties en op de verticale as de amplitudes van de golven (zie Figuur 6).
Figuur 6. Spectrum van het basisgeluid bij stemhebbend spreken, in de vorm van een ‘zaagtand’ (Bron: Rietveld & Van Heuven 2016: 135)
In Figuur 6 heeft elke hogere frequentiecomponent een kleinere amplitude dan de frequentiecomponent links ervan. De grondtoon is de sinusgolf met de laagste frequentie (dus het meest links in de grafiek) en komt overeen met de frequentie waarmee één zaagtandgolf (= het linkse deel van de grafiek in Figuur 6 dat in de vorm van een zaagtand oploopt tot 100 Hz) herhaald wordt in het hele patroon. De frequentie van deze grondtoon is de F0 of grondfrequentie. De andere sinusgolven, de zogenaamde boventonen hebben frequenties die hele veelvouden zijn van de grondfrequentie.
Bij de afzonderlijke klinkers is het niet zo dat, zoals in Figuur 7, iedere hogere frequentiecomponent een lagere amplitude heeft dan de eraan voorafgaande. Elke klinker heeft een karakteristiek patroon van versterkte frequenties. Het spectrum van een a ziet er bijvoorbeeld uit zoals in Figuur 7.
Figuur 4. Het spectrum van een [a] (Bron: Rietveld & Van Heuven 2016: 136)
In het spectrum van de a zijn er pieken en dalen. De pieken of maxima ontstaan als gevolg van versterking van specifieke tonen door resonantie of geluidsweerkaatsing in de mond-keelholte. De vorm van de mond-keelholte bepaalt welke golven (bijv. lage tonen vs. hoge tonen) worden versterkt of verzwakt. Bij de vergelijking van spectra van verschillende klanken kijkt men vooral naar de maxima, die in Figuur 4 door een omhullende lijn worden overkapt. De eerste piek komt overeen met de grondfrequentie (F0), die bepaald wordt door de snelheid waarmee de stembanden trillen. De volgende pieken zijn de formanten.
Voor de grondfrequentie, die niet door resonantie wordt opgewekt en dus op zich geen formant is, wordt doorgaans wel de formantnummering (F0) gebruikt; zie Rietveld & Van Heuven (2016: 137).
Literatuur
Gussenhoven (1992), Booij (1995), Verhoeven (2005), Jacobi (2009), Van der Harst (2011), Van de Velde et al. (2010), Rietveld & Van Heuven (2016), Rietveld & Van Heuven (1997).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020
    Interessante links