Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
27.5.2.1 Achterwaartse samentrekking
Verder lezen
Als aanvulling op de regels van de vorige subparagraaf dient vermeld te worden, dat bij achterwaartse samentrekking het laatste restant van het eerste lid en het parallelle element in de volgende leden meestal duidelijk beklemtoond worden. Dit contrastaccent is vooral onmisbaar als alleen het onderwerp en de persoonsvorm resteren en de persoonsvorm een overgankelijk werkwoord is dat ook onovergankelijk gebruikt kan worden. Wordt de persoonsvorm in dit geval niet duidelijk beklemtoond, dan kan men de zin als niet-samengetrokken en daardoor het werkwoord als onovergankelijk interpreteren, bijv.:
1Jan lás (-) en Piet schrééf een boek.
Maar ook andere laatste restanten met hun parallelle elementen krijgen bij voorkeur een sterke klemtoon. Voorbeelden met persoonsvormen als laatste restant:
2Hij kréég (-) en zij gáf een boek.
3Hij lág (-) en zij zát op de bank.
4Hij wíl (-) en zij zál slagen.
Voorbeelden waarin een niet-werkwoordelijk element het laatste restant is:
5Alfred besprak de vraag welke ríjst (-) (-) en Henry de vraag welke bónen we zouden eten.
6Marieke zei dat haar bróertje (-) en Fanny zei dat haar zúsje ziek was.
7Hij is vol hoop óp (-) maar hij is niet afhankelijk ván een goede afloop.
8Ik vroeg me wel af óf (-) (-) maar ik kon niet bevestigen dát jouw theorie juist is.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links