Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
18.5.1.2 Groepsvormend en niet-groepsvormend gebruik van werkwoorden
Verder lezen
1
Wat de mogelijkheden tot groepsvorming bij werkwoorden betreft zijn in hoofdzaak vier gevallen te noemen die we hieronder in [a] t/m [d] toelichten.[a]
  1. Het werkwoord willen in het volgende voorbeeld is groepsvormend gebruikt:
    1Hij zei dat hij de kraanvogels graag wilde fotograferen.
    Willen kan alleen op deze manier gebruikt worden. Als achter-pv vormt het een ondoordringbaar geheel met de werkwoordelijke aanvulling fotograferen. In de standaardtaal kunnen de kraanvogels en/of graag niet tussen wilde en fotograferen in geplaatst worden (zie ook Opmerking 1):
    2aHij zei dat hij de kraanvogels wilde graag fotograferen.uitgesloten
    bHij zei dat hij graag wilde de kraanvogels fotograferen.uitgesloten
    cHij zei dat hij wilde graag de kraanvogels fotograferen.uitgesloten
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Gevallen als 2b en 2c zijn wel mogelijk buiten de standaardtaal. Een zin als 2b komt voor in regionaal taalgebruik. Voor regionale en andere afwijkingen van de regel van de ondoordringbaarheid van de eindgroep verwijzen we naar [21.6]. Zinnen als 2c komen voor in informele, gesproken taal. Ze kunnen beschouwd worden als constructies waarbij de spreker tijdens het produktieproces na het uitspreken van het onderwerp van de bijzin (het tweede hij in het genoemde voorbeeld) ongemerkt overgaat op een zin met hoofdzinsvolgorde. Ze zijn dus te beschouwen als een soort overloopconstructie (vergelijk [21.2.5]). Een ander voorbeeld is ib in vergelijking met ia:
    iaIk vind dat de minister zijn woorden over het algemeen goed weet te kiezen.
    bIk vind dat de minister weet zijn woorden over het algemeen goed te kiezen. (maar: in de standaardtaal)
    Om de beschrijving van de groepsvorming bij werkwoorden niet al te zeer te compliceren, wordt in dit hoofdstuk verder geabstraheerd van zulke regionale en spreektalige constructies. Gevallen als 2b, 2c en ib worden hier voortaan kortweg 'uitgesloten' genoemd, waarbij dus steeds geïmpliceerd is 'in de standaardtaal'.
    Ook in de voltooide tijden wordt willen groepsvormend gebruikt:
    3Hij zei dat hij de kraanvogels graag had willen fotograferen.
    In dit voorbeeld is de tweeledige werkwoordgroep uitgebreid tot een drieledige doordat willen zelf afhankelijk gemaakt is van het groepsvormende werkwoord hebben.Willen verschijnt nu als (vervangende) infinitief (zie hiervoor [18.5.2.1/ii]). Deze nieuwe werkwoordgroep vormt weer een ondoordringbaar geheel. Ook tussen willen en fotograferen kan nog steeds geen niet-werkwoordelijk element staan:
    4Hij zei dat hij de kraanvogels had willen graag fotograferen.uitgesloten
  2. Bepaalde werkwoorden kunnen zowel groepsvormend als niet-groepsvormend gebruikt worden. Zo is proberen groepsvormend in:
    5Hij zei dat hij de kraanvogels probeerde te fotograferen.
    maar niet in:
    6Hij zei dat hij probeerde de kraanvogels te fotograferen.
    In 6 is de kraanvogels te fotograferen een beknopte bijzin. De beknopte bijzinnen worden behandeld in [19.3].
    Een voorbeeld met proberen in een voltooide tijd is:
    7aIk hoorde dat Nora de knoop heeft proberen te ontwarren. (groepsvormend)
    bIk hoorde dat Nora geprobeerd heeft (om) de knoop te ontwarren. (met een beknopte bijzin)
    De werkwoorden uit deze categorie kunnen nog onderscheiden worden in werkwoorden die zowel in onvoltooide als voltooide tijden mogelijk (maar niet noodzakelijk) groepsvormend zijn, en werkwoorden die alleen in onvoltooide tijden groepsvormend gebruikt kunnen (maar niet hoeven te) worden. Bij de eerste subcategorie hoort bijv. menen (zie [18.5.4.16]):
    8aHij zei dat omdat hij ook iets meende te moeten zeggen. (groepsvormend)
    bHij zei dat omdat hij meende ook iets te moeten zeggen. (met een beknopte bijzin)
    9aHij heeft dat gezegd omdat hij ook iets heeft menen te moeten zeggen. (groepsvormend)
    bHij heeft dat gezegd omdat hij gemeend heeft ook iets te moeten zeggen. (met een beknopte bijzin)
    Tot de tweede subcategorie behoort bijv. het werkwoord hopen (zie [18.5.4.18]):
    10aZe ging dat boek lezen omdat ze er iets uit hoopte te leren. (groepsvormend)
    bZe ging dat boek lezen omdat ze hoopte er iets uit te leren. (met een beknopte bijzin)
    11aZe was dat boek gaan lezen omdat ze er iets uit had hopen te leren.uitgesloten
    bZe was dat boek gaan lezen omdat ze gehoopt had er iets uit te leren. (met een beknopte bijzin)
    Het al dan niet groepsvormende gebruik van werkwoorden die de beide mogelijkheden kennen, kan gepaard gaan met een (soms heel subtiel) verschil in betekenis. Een voorbeeld daarvan is menen, dat bij groepsvormend gebruik (zoals in 8a en 9a) veeleer betekent 'in de onjuiste veronderstelling, in de waan verkeren' (met een mogelijke pejoratieve bijbetekenis), bij niet-groepsvormend gebruik veeleer 'denken, de mening toegedaan zijn, ervan overtuigd zijn'.
  3. Een aantal werkwoorden kent nog een derde gebruiksmogelijkheid, die tussen groepsvormend en niet-groepsvormend in ligt, en die we als 'quasi-groepsvormend' zouden kunnen omschrijven. Naast 7a is bijv. mogelijk:
    12Ik hoorde dat Nora de knoop heeft geprobeerd te ontwarren. (quasi-groepsvormend)
    In dit voorbeeld staat de knoop niet tussen de werkwoordsvormen. Er is dus sprake van een ononderbroken eindgroep. Maar anders dan men zou kunnen verwachten treedt het deelwoord geprobeerd en niet de (vervangende) infinitief proberen op. Een ander voorbeeld met drie mogelijkheden is:
    13aZe hadden al vaker duidelijk proberen te maken dat er niets van klopte. (groepsvormend)
    bZe hadden al vaker geprobeerd duidelijk te maken dat er niets van klopte. (met een beknopte bijzin)
    cZe hadden al vaker duidelijk geprobeerd te maken dat er niets van klopte. (quasi-groepsvormend)
    In 13a is proberen groepsvormend gebruikt, in 13b niet. Variant 13c is een voorbeeld van de derde constructiemogelijkheid. Een dergelijke variant komt vaker voor in Nederland dan in Vlaanderen. Behalve bij proberen bestaat de genoemde gebruiksmogelijkheid bij verzuimen (zie [18.5.4.18]), beloven (zie [18.5.4.19]) en beginnen (zie [18.5.4.20]). Zie ook [18.5.4.25].
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Naast 13b is ook mogelijk:
    iZe hadden al vaker proberen duidelijk te maken dat er niets van klopte.
    In dit geval is er sprake van groepsvormend gebruik van proberen, waarbij de eindgroep evenwel door een inherent zinsdeel (duidelijk) doorbroken wordt (vergelijk [21.6.3.1]). Een dergelijk geval behoort tot de standaardtaal. Dat geldt niet voor doorbrekingsconstructies als de volgende, die we overeenkomstig Opmerking 1 in dit hoofdstuk zonder meer 'uitgesloten' noemen:
    iiaIk had gehoopt dat Dick dat artikel intussen had geprobeerd aan de redactie door te sturen.uitgesloten
    bIk had gehoopt dat Dick dat artikel intussen had proberen aan de redactie door te sturen.uitgesloten
    iiiIk zag hoe Bregje de bal probeerde door de opening te krijgen.uitgesloten
    Zie echter [21.6.3.3].
  4. Tot slot zijn er werkwoorden die niet groepsvormend gebruikt kunnen worden, maar alleen met een beknopte bijzin (met een infinitief met (om) te) te combineren zijn. Als er in een dergelijke beknopte bijzin meer taalelementen voorkomen dan een infinitief met te kunnen de bedoelde werkwoorden niet vlak voor de infinitief staan. Een voorbeeld is merken in:
    14aZe zeggen dat hij toen pas merkte een fout gemaakt te hebben. (met een beknopte bijzin)
    bZe zeggen dat hij toen pas een fout gemaakt merkte te hebben.uitgesloten
    In 14a is er uiteraard geen sprake van doorbreking van een eindgroep: een fout maakt deel uit van de beknopte bijzin.
2
Op grond van het bovenstaande kunnen we werkwoorden onderscheiden in verplicht groepsvormende werkwoorden zoals willen (categorie [a]), niet-verplicht groepsvormende werkwoorden (categorieën [b] en [c]) en (altijd) niet-groepsvormende werkwoorden (categorie [d]).
Tot categorie [a] behoren alle werkwoorden die een deelwoord of een infinitief zonder te als aanvulling hebben, en een aantal werkwoorden die met een infinitief met te verbonden worden. Wat de werkwoorden met een infinitief (met of zonder te) als aanvulling betreft is het van belang erop te wijzen dat nogal wat van die werkwoorden niet alleen als verplicht groepsvormend werkwoord voorkomen, maar tevens in een andere functie, namelijk als zelfstandig werkwoord (met een soms nauw verwante betekenis). Voorbeelden zijn gaan + infinitief en weten + te + infinitief. Vergelijk:
15aWe gaan zo meteen eten. (groepsvormend werkwoord)
bWe gaan morgen naar Brussel. (zelfstandig werkwoord)
16aWeet jij hem te wonen? (groepsvormend werkwoord)
bWeet jij waar hij woont? (zelfstandig werkwoord)
In de (b) -zinnen gaat het niet om werkwoorden die met een beknopte bijzin verbonden (kunnen) worden zoals die uit categorie [b]. Als in dit hoofdstuk gesproken wordt over 'het werkwoord' gaan etc., dan is daarmee in principe altijd het groepsvormende werkwoord en niet een andere functie van hetzelfde (of: verwante) werkwoord bedoeld.
Andere werkwoorden met een infinitief met te als aanvulling kunnen ofwel tot de niet-verplicht groepsvormende ofwel tot de niet-groepsvormende werkwoorden behoren. De mogelijkheden tot groepsvormend gebruik zijn bij de werkwoorden uit categorie [b] overigens niet in alle gevallen voor alle taalgebruikers hetzelfde. In [18.5.4.25] wordt hierop nader ingegaan.
Bij de behandeling van de verschillende werkwoorden in de hier volgende subparagrafen en in de alfabetische lijst ( [18.5.8]) wordt nadere informatie gegeven over de categorie waartoe ze behoren. Niet-groepsvormend gebruik van werkwoorden komt in dit hoofdstuk alleen aan de orde ter vergelijking met het groepsvormend gebruik van de behandelde werkwoorden.
3
Sommige werkwoorden die dikwijls of meestal groepsvormend gebruikt worden, komen ook zonder werkwoordelijke aanvulling of zonder een beknopte bijzin voor. Vaak kan er dan uit de context of situatie een werkwoord of een bijzin aangevuld worden, bijv. in:
17Je moet naar huis (gaan).
18Wil je nog een boterham (hebben)?
19He, ik mag ook nooit wat (doen/hebben)!
Maar soms is zo'n aanvulling zo niet onmogelijk, dan toch hoogst ongebruikelijk, zoals in:
20Nou, jij durft!
21Dat zal wel.
Aan dit gebruik wordt aandacht besteed in [18.5.4.4/iv].
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links