Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1.4.7 Allofonische variatie van r
Geen enkele klank van het Nederlands kent zoveel variatie als de r. De r vertoont zowel geografische, individuele als allofonische variatie. De r kan zelfs verschillend uitgesproken worden in eenzelfde positie in eenzelfde woord door één enkele spreker. Daarom is het moeilijk om voor deze klank duidelijke patronen van allofonische variatie te onderscheiden, maar er tekenen zich wel een aantal tendensen af.
De duidelijkste allofonie doet zich voor tussen r in de aanzet en r in de coda, die onderling verschillen qua plaats van articulatie, manier van articulatie en stemgeving. Zo is er bij r in de aanzet van woorden of lettergrepen meestal een alveolaire of uvulaire plaats van articulatie, terwijl de r in de coda in het Nederlands Nederlands behalve alveolair of uvulair, ook vaak retroflex is. Verder worden alveolaire en uvulaire r in de coda doorgaans gerealiseerd als fricatieven, terwijl de retroflexe r als approximant gerealiseerd wordt. Ook de variatie in stemhebbendheid wordt in grote mate bepaald door de context waarin r voorkomt in een woord. Medeklinkerrealisaties van r (namelijk tapklanken, trilklanken en fricatieven) zijn doorgaans stemloos als ze op het einde van een woord verschijnen, maar stemhebbend in andere contexten. Daarnaast zijn uvulaire trilklanken en fricatieven vaak stemloos in aanzetten als er een stemloze obstruent aan voorafgaat.
Zie 1.1.3.2.11 De vloeiklank r voor een vollediger beschrijving van de variatie.
De grootste variatie van r treffen we aan in de coda.
Vieregge & Broeders (1993); Van Reenen (1994); Cucchiarini & Van den Heuvel (1999).
In Tabel 1 worden de meest voorkomende Nederlandse r-varianten weergegeven:
Bron: Sebregts (2014: 56)
Tabel 1. De meest voorkomende Nederlandse r-varianten (Bron:  Sebregts 2014: 56)
IPA Beschrijving
r stemhebbende alveolaire trilklank
͡rr̥ gedeeltelijk verstemloosde alveolaire trilklank
stemloze alveolaire trilklank
͡rɹ̝ alveolaire tril-/tapklank gevolgd door homorganische ruis
ɹ̝ stemhebbende (post)alveolaire fricatief
ɹ̥ stemloze (post)alveolaire fricatief
ɾ stemhebbende alveolaire tapklank
ɾ̥ stemloze alveolaire tapklank
ɹ alveolaire approximant
ʀ uvulaire trilklank
ʀ̝ uvulaire fricatief trilklank
ʁ uvulaire fricatief
ʁ̞ uvulaire approximant
ɻ retroflexe/gebogen approximant
j palatale approximant
ɛ half-open voorvocaal
ə centrale vocaal (sjwa)
ɐ open vocaal
ØC̠ deletie van r met retractie van de volgende consonant (C)
Ø deletie van r
Verder lezen
Context-bepaalde variatie in de uitspraak van de r
Sommige varianten van r zijn sterk contextafhankelijk (en dus allofonisch bepaald). Dit blijkt uit de resultaten van Sebregts (2014). Hij onderscheidt vier prosodische contexten voor het voorkomen van r in het gesproken corpus dat hij samenstelde op basis van interviews van klanten van de winkelketen HEMA (Sebregts 2014: 75-76, zie ook 1.1.2.1.4 De uitspraak van de r): (1) woord-initiële aanzetten, (2) woordinterne intervocalische aanzetten, (3) codacontexten die sjwa-invoeging toelaten (nl. r + niet-coronale obstruent of r + nasaal), en (4) andere coda-contexten (nl. woordfinale r en codaclusters met r + coronale obstruent).
Zo zijn verstemloosde en volledig stemloze alveolaire varianten van r typisch voor de coda (en in mindere mate ook voor de codacontexten met sjwa-invoeging; vocalische varianten van r zijn eveneens typisch voor de coda. Stemhebbende trilklanken en fricatieven zijn daarentegen veel algemener in aanzetten, hoewel ze ook in coda’s voorkomen. Dan is er nog het wegvallen van r of r-deletie: hierop zijn er in de coda veel minder beperkingen dan in de aanzet, waar het enkel voorkomt in gevallen waar r voorafgegaan wordt door een velaire fricatief (bijvoorbeeld in gras en schrift).
De allofonische variatie van r blijkt vaak samen te gaan met intersprekervariatie: van de 214 sprekers die de retroflexe approximant gebruiken, zijn er bijvoorbeeld 213 die deze variant gebruiken in de coda, terwijl slechts 100 sprekers deze variant ook gebruiken in de context van sjwa-invoeging. Voor sommige varianten van r ontbreekt dan weer een duidelijk allofonisch patroon: terwijl 34,3% van de sprekers in het corpus een stemhebbende alveolaire trilklank gebruikt, wordt deze variant in geen enkele context als de meest algemene variant gebruikt.
Vocalisatie van de r
Net als l (zie 1.1.4.6 Lichte vs. donkere l) kan r geheel of gedeeltelijk gevocaliseerd worden in de coda. Beide sonorante medeklinkers kunnen als een halfvocaal of glijklank gerealiseerd worden: de l als w (bijv. in bal bɑw ) en de r als j (bijv. in maar maj ). De r kan bovendien als een klinker gerealiseerd worden, bijvoorbeeld als de half open voorvocaal ɛ , als de centrale klinker ə , of als de open klinker ɐ , of zelfs volledig verdwijnen (zogenaamde R-deletie).
Zie Sebregts (2014: 74).
De vocalisatie van de r wordt door Botma & Van der Torre (2000: 21), net als de donkere en de gevocaliseerde l, geanalyseerd als het resultaat van het feit dat sonorante medeklinkers in de coda gedomineerd worden door de nucleus, waardoor ze meer vocalische eigenschappen krijgen.
Sebregts (2014: 9) brengt dit gedrag van de r in coda’s in verband met de aanname dat allofonen in zogenaamde ‘sterke posities’ (aanzetten en beklemtoonde lettergrepen) over het algemeen dicht bij de fonemische vorm blijven, terwijl allofonen die in zogenaamde ‘zwakke posities’ verschijnen (coda’s en onbeklemtoonde lettergrepen) veel meer aanpassingen ondergaan ten opzichte van de fonemische vorm.
Fonologische of fonetische variatie?
In studies over de r wordt herhaaldelijk benadrukt dat er een sterk raakvlak is tussen enerzijds fonologische, categorische variatie en anderzijds fonetische, graduele variatie.
Zo bespreken Scobbie et al. (2011: 259) de vraag of het foneem r slechts één fonologisch allofoon heeft dat fonetisch varieert in aanzetten en coda’s, of twee (of meer) fonologische allofonen heeft. Daartoe onderzochten ze realisaties van r via MRI-opnames. Het ging om patronen waarin een huig-r of uvulaire trilklank (namelijk R ) als aanzet-allofoon gecombineerd wordt met een post-alveolaire approximant (namelijk ɹ ) als coda-allofoon. Dit patroon wordt in toenemende mate aangetroffen in het Nederlands Nederlands.
Van Bezooijen (2005).
Uit hun onderzoek blijkt dat verschillende sprekers van het Nederlands verschillende systemen van aanzet-coda allofonie voor het foneem r hebben. Ook lijkt r-allofonie in het Nederlands een abstract, categorisch en fonologisch proces, met verschillende distinctieve kenmerken voor plaats en manier van articulatie voor aanzet- vs. coda-allofonen. Toch opperen Scobbie et al. de mogelijkheid dat een combinatie van fonetische factoren (zoals het mislukken van de productie van een trilklank en de tendens om de coda af te zwakken) aan de basis ligt van de schijnbaar abstracte aanzet-coda allofonie.
Sebregts (2014) betoogt dat een benadering waarbij wordt aangenomen dat gedetailleerde, fonetische vormen van woorden worden opgeslagen in het geheugen, geschikter is om het samenspel van fonologische en fonetische variatie van r in het Nederlands te verantwoorden dan een regelgebaseerde benadering.
Literatuur
Vieregge & Broeders (1993), Van Reenen (1994), Cucchiarini & Van den Heuvel (1999), Van de Velde & van Hout. (1999), Botma & Van der Torre (2000), Plug (2003), Van Bezooijen (2005), Scobbie et al. (2011), Sebregts (2015).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020
    Interessante links