Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.3.4.2 Glijklank-invoeging
Een hiaat kan worden vermeden door het invoegen van een glijklank tussen twee klinkers. Dit gebeurt in situaties waar twee volle klinkers op elkaar botsen, behalve na de a. De ingevoegde glijklank is een ɥ na ronde voorklinkers, een j na ongeronde voorklinkers, en een ʋ na achterklinkers. Deze glijklankinvoeging is een taalspecifieke regel, die niet volgt uit de algemene wetmatigheden voor articulatie die voor alle talen gelden. Dat is gemakkelijk te zien door een vergelijking met het Duits. In het woord theater teatər bijvoorbeeld wordt een j ingevoegd aan het begin van de tweede lettergreep tejatər, terwijl in het corresponderende Duitse woord Theater na de e een glottisslag wordt ingevoegd: te.ʔatər.
1geronde hoge glijklank [ɥ] na geronde voorklinkers
aduodyɥo
aEduardedyɥɑrt
afluorflyɥɔr
ajanuarijanyɥari
areuenrøɥən
aruïneryɥinə
ongeronde hoge glijklank [j] na ongeronde voorklinkers
bbioscoopbijɔskop
bdieetdijet
bIndriaasIndrijas
bGeaɣeja
geronde glijklank [ʋ] na achterklinkers
cdouaneduʋanə
cRuandaruʋɑnda
cHuaweihuʋɑwɛi
In woorden als duo en fluor wordt door sommige sprekers een j ingevoegd in plaats van een ɥ: dyjo, flujɔr.
Een glijklank is een klank die het midden houdt tussen een klinker en een medeklinker. Dergelijke klanken worden daarom wel vocoïden, dat wil zeggen ‘klinkerachtigen’ genoemd. Ze krijgen de functie van medeklinker tussen twee klinkers, zoals hier in het geval van klinkerhiaten. De  geronde glijklank ɥ komt in het Nederlands niet voor als foneem, alleen als ingevoegde glijklank.
Zie Gussenhoven (2007).
Ook voor Glijklank-invoeging geldt dat deze optioneel kan worden toegepast in domeinen groter dan het prosodisch woord, zoals de volgende voorbeelden van Glijklank-invoeging in afleidingen en samenstellingen laten zien: koe-achtig kuʋɑxtəx, zeearend zejarənt.
We zien dit soort glijklanken ook optreden in andere gevallen van hiaat, zoals bij afkortingen met klinker-letters. Een voorbeeld: de afkorting aio is in gebruik voor ‘assistent in opleiding’. Veel taalgebruikers spreken dit woord niet uit met drie lettergrepen, dus als a.i.o, maar geven de letter i hier de interpretatie van een medeklinker, een j, en spreken het woord uit als ajo. We zien deze fonetische interpretatie van de i ook in woorden als functioneel, waar de i kan worden gerealiseerd als een j: fYŋksjonel.
In enkele woorden treedt de glijklank j op na een geronde achterklinker, zoals in loeien en koeien. In loeien volgt dit hieruit dat de j deel uitmaakt van de stam van het werkwoord, zoals blijkt uit de werkwoordsvormen (ik) loei en (hij) loeit. De meervoudsvorm koeien is blijkbaar gevormd op basis van een allomorf van koe, namelijk koei, die we ook zien in samenstellingen als koeienhuid. De j kan immers geen geval zijn van Glijklankinsertie, omdat we na een geronde klinker een ʋ  verwachten. De meervoudsvorm vlooien is evenzo gebaseerd op de allomorf vlooi van vlo. Deze allomorf vinden we ook terug in verwante woorden als vlooien en uitvlooien.
Verder lezen
Glijklank-invoeging als co-articulatie
Men kan Glijklank-invoeging beschouwen als de invoeging van een medeklinker tussen twee klinkers. Deze medeklinker draagt het kenmerk hoog, en ontvangt zijn overige kenmerken van de voorafgaande klinker, een vorm van spreiding van kenmerken (zie Booij 1995: 67). Ingevoegde glijklanken hebben ook een duidelijk kortere duur dan glijklanken die al in de onderliggende vorm van woorden aanwezig zijn.
Sommige fonetici spreken niet van invoeging van een glijklank, met name niet als het om woordgroepen gaat (Van Heuven & Hoos 1991). In plaats daarvan wordt dit proces gekarakteriseerd als een vorm van co-articulatie waarbij de waarneming van een ingevoegde glijklank ontstaat door de overgang van de eerste naar de tweede klinker. Volgens Van Heuven & Hoos (1991) is er ook een glijklank na een a, maar wordt die niet als zodanig gepercipieerd, omdat dat stukje klank niet correspondeert met een bestaande klank van het Nederlands.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij september 2020
    Interessante links