Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
8.6.3.3.ii Buiten de eerste zinsplaats
Verder lezen
1
Presentatief er komt ook buiten de eerste zinsplaats voor. Zo is de voor de hand liggende interpretatie van het verplichte er in de volgende zinnen de presentatieve:
1Wie komt er vanavond op dat feest?
2Wat gebeurt er aan de overkant?
Onderwerpen zijn hier de vragende voornaamwoorden wie en wat, die onbepaalde constituenten zijn en verplicht op de eerste zinsplaats staan; er is presentatief, zoals in de vergelijkbare zinnen:
3Er komt vanavond iemand (maar ik weet niet wie).
4Er gebeurt iets (maar ik weet niet wat).
In niet-vragende zinnen kan bijv. een tijdsbepaling op de eerste zinsplaats staan; naast zin 5a (een herhaling van zin 2a uit [8.6.3.3/i]), is mogelijk:
5aEr komt vanavond een student op de kinderen passen.
bVanavond komt (er) een student op de kinderen passen.
De haakjes in 5b geven aan dat er hier facultatief is (zo ook in de voorbeelden hieronder).
2
Voor de aan- of afwezigheid van presentatief er zijn geen strikte regels te geven: het kan facultatief zijn, er kan semantisch of stilistisch verschil in het spel zijn, én er is vooral veel individuele, soms ook geografische variatie in het gebruik. Als in de voorbeelden hieronder er (niet tussen haakjes) gebruikt wordt, wil dat niet zeggen dat deze of gene taalgebruiker het nooit kan weglaten; het omgekeerde geldt voor voorbeeldzinnen zonder er.
Presentatief er buiten de eerste zinsplaats wordt nu behandeld al naargelang van de bezetting van die eerste zinsplaats.
  1. De eerste zinsplaats bevat een vraagwoord als onderwerp of deel daarvan (vraagwoordvragen) of is leeg (ja/nee-vragen).
    1. Presentatief er is als vrijwel verplicht te beschouwen als het werkwoordelijk gezegde een onovergankelijk werkwoord bevat, bijv.:
      6Wie/welke mensen komen er vanavond allemaal?
      7Komen er vanavond nogal wat mensen?
      8Wat/welk onderdeel rammelt er toch zo?
      9Rammelt er iets?
      Verder gelden voor de aan- of afwezigheid van er de volgende tendenties.
    2. Facultatief met enige voorkeur voor aanwezigheid is er:
      • als het naamwoordelijk deel van het gezegde adjectivisch is (waarbij inbegrepen een substantief zonder lidwoord [4.5.6]), bijv.:
        10Wie is er ziek?
        11Zijn er veel leerlingen ziek?
        12Wie van u is (er) dokter?
        13Is (er) misschien iemand van u dokter?
        14Wat is (er) nou beter tegen de kou dan een hete grog?
        15Is (er) iets beter tegen de kou dan een hete grog?
        In vragen waarin om verduidelijking verzocht wordt en in raadsels is weglating van er normaal, bijv.:
        16(Men heeft de naam van een zieke niet goed verstaan en vraagt: ) Wíe is ziek?
        17Wat is rond en toch vierkant?
      • als het direct object een onbepaalde constituent is, bijv.:
        18Wie schrijft (er) een brief?
        19Schrijft (er) één van jullie een brief?
        20Wie heeft (er) iets laten liggen?
        21Heeft (er) een bezoeker iets laten liggen?
        De vragen in 18 en 20 met er zijn als zuiver informatief te beschouwen; zonder er is 18 bijv. meer een aansporing:
        22(Kom op, jongens!) Wíe schrijft een brief?
        en 20 bijv. een verwijt:
        23(Met een gevonden voorwerp in de hand: ) Wíe heeft iets laten liggen?
    3. Facultatief met enige voorkeur voor afwezigheid is er als het naamwoordelijk deel van het gezegde of het direct object een bepaalde constituent is. Voorbeelden:
      24Wie van u is (er) de dokter?
      25Is (er) één van de heren misschien de dokter?
      26Wat is (er) het onderwerp van deze zin?
      27Is (er) een onbepaalde constituent het onderwerp van deze zin?
      28Wie schrijft (er) die brief?
      29Schrijft (er) één van jullie die brief?
      30Wie heeft (er) dit laten liggen?
      31Heeft (er) een bezoeker dit laten liggen?
      32Wie heeft (er) zijn jas laten hangen?
      33Heeft (er) iemand zijn jas laten hangen?
      34Wat geeft (er) mij het recht dit te veronderstellen?
      35Geeft (er) iets mij het recht dit te veronderstellen?
  2. De eerste zinsplaats van een niet-vragende zin bevat het onderwerp.
    1. Het onderwerp is een naamwoordelijke constituent.
      Hier is presentatief er alleen verplicht in gevallen als:
      36Ápen zonder staart zijn er wel, (ezels zonder staart niet).
      37Eén oplossing is er, (maar ook niet meer).
      38Een studént kwam er! (En we hadden nota bene een hoogleraar verwacht!)
      In 36 en 37 hebben we te maken met de vaste uitdrukking er zijn ('bestaan') [8.6.2]; in 38 met een geval waar presentatief er normaal is(zie 8.6.3.2.1, sectie 1). Het onderwerp in zinnen als deze heeft speciale klemtoon.
      In veel gevallen is er facultatief. Het onderwerp kan beklemtoond en onbeklemtoond zijn, afhankelijk van de context. Voorbeelden:
      39a(Over ongelukken gesproken: ) Een vreselijk ongeluk is (er) vanmorgen op de Oránjesingel gebeurd.
      b(Weet je niet eens wat er gebeurd is?) Een vréselijk óngeluk is (er) vanmorgen op de Oranjesingel gebeurd.
      40a(Hé, wat zie ik daar?) Iemand komt (er) een táárt bij ons brengen.
      b(De bakker weet niet of hij zelf kan komen, maar) íemand komt (er) in ieder geval een taart bij ons brengen.
      41a(Toen we de bladzijden gecontroleerd hadden, merkten we: ) Heel wat bladzijden ontbráken (er) aan het boek.
      b(Of er wat aan het boek ontbrak, vraag je?) Hele bládzijden ontbraken (er) aan het boek!
      Soms is er als uitgesloten te beschouwen. Zo is naast 42a en 42b (vergelijk [8.6.3.3/i]) niet mogelijk:
      42aEr besloop hem een gevoel van angst.
      bEen gevoel van angst besloop hem.
      cEen gevoel van angst besloop er hem.uitgesloten
      Andere voorbeelden:
      43aEr heeft een bezoeker zijn jas in de gang laten hangen.
      bEen bezoeker heeft zijn jas in de gang laten hangen.
      cEen bezoeker heeft er zijn jas in de gang laten hangen.uitgesloten
      44aEr zal iemand van ons een brief schrijven.
      bIemand van ons zal een brief schrijven.
      cIemand van ons zal er een brief schrijven.uitgesloten
      (n.b. In 43c en 44c is er niet bedoeld als plaatsbepaling (locatief er), bijv. als vervanging van 'in dat gebouw'.)
      De condities waaronder er al dan niet aanwezig is, zijn vooralsnog niet duidelijk. Vergelijk voor meer voorbeelden ook [21.3.2.1/i2].
    2. Het onderwerp is een bijzin.
      Als een onderwerpszin in een passieve hoofdzin op de eerste zinsplaats staat, is presentatief er facultatief of uitgesloten. Vergelijk:
      45aEr wordt beweerd dat hij gefraudeerd heeft.
      bDat hij gefraudeerd heeft, wordt (er) beweerd.
      46aEr werd gevraagd of er een dokter in de zaal was.
      bOf er een dokter in de zaal was, werd (er) gevraagd.
      47aEr wordt vaak gezegd: hoe meer zielen, hoe meer vreugd.
      bHoe meer zielen hoe meer vreugd, wordt (er) vaak gezegd.
      48aEr kan niet gezegd worden dat hij hard gewerkt heeft.
      bDat hij hard gewerkt heeft, kan niet gezegd worden.
      cDat hij hard gewerkt heeft, kan er niet gezegd worden.uitgesloten
      49aEr wordt nog onderzocht of ze misschien toch een verblijfsvergunning kan krijgen.
      bOf ze misschien toch een verblijfsvergunning kan krijgen, wordt nog onderzocht.
      cOf ze misschien toch een verblijfsvergunning kan krijgen, wordt er nog onderzocht.uitgesloten
      (n.b. In 48c en 49c is er uiteraard niet locatief bedoeld.)
      Ook hier zijn de condities voor de aan- of afwezigheid van er nog onduidelijk.
  3. De eerste zinsplaats bevat een direct of indirect object.
    1. In dit geval is presentatief er als uitgesloten te beschouwen als het direct of indirect object een bepaalde constituent is. Vergelijk:
      50aAl die foto's heeft iemand bewaard.
      bAl die foto's heeft er iemand bewaard.uitgesloten
      51a(Aan) deze drie leerlingen heeft een leraar straf gegeven.
      b(Aan) deze drie leerlingen heeft er een leraar straf gegeven.uitgesloten
      (n.b.n.b. In 51b is er niet op te vatten als bijv. 'op die school'.)
    2. Is het object een onbepaalde constituent, dan is er facultatief:
      52Foto's heeft (er) altijd wel iemand bewaard.
      53(Aan) enkele leerlingen heeft (er) een leraar straf gegeven.
  4. De eerste zinsplaats bevat een bepaling.
    Voor zinnen met een bepaling op de eerste zinsplaats geldt wat de aan- of afwezigheid van presentatief er betreft in het algemeen hetzelfde als voor dezelfde zinnen waarin die bepaling niet of niet op de eerste zinsplaats voorkomt. Zo is er verplicht aanwezig in gevallen als 54a en 55a, evenals in 54c en 55c. Vergelijk:
    54aMeestal wordt er gezongen.
    bMeestal wordt gezongen.uitgesloten
    cEr wordt (meestal) gezongen.
    dWordt (meestal) gezongen.uitgesloten
    55aGelukkig is er één oplossing.
    bGelukkig is één oplossing. uitgesloten
    cEr is (gelukkig) één oplossing.
    dIs (gelukkig) één oplossing.uitgesloten
    In de meeste gevallen is er in principe facultatief. Voorbeelden:
    56Vanavond komt (er) een student.
    57Vanmorgen is (er) op de Oranjesingel een ernstig ongeluk gebeurd.
    58Vanmiddag komt (er) iemand een taart brengen.
    59In tegenstelling tot onze verwachtingen is (er) niemand komen opdagen.
    60Helaas ontbraken (er) heel wat bladzijden aan het boek.
    61Op de Oranjesingel is (er) een vreselijk ongeluk gebeurd.
    62Op de hoek van de straat is (er) een winkel, daarnaast is (er) een postkantoor.
    63Aan de overkant staan (er) mooiere bomen dan aan deze kant.
    In de standaardtaal wordt er na een plaatsbepaling (dus in zinnen als 61, 62 en 63) gemakkelijker weggelaten dan in andere gevallen. Overigens verschilt de voorkeur voor het al dan niet gebruiken van er buiten de eerste zinsplaats per geval; duidelijke regels zijn hier vooralsnog niet te geven. Er zijn ook nogal grote individuele verschillen in het er-gebruik.
    Wel is er een duidelijke geografisch bepaalde tendentie: er staat (al dan niet na een plaatsbepaling) sterker in België (behalve Oost-Limburg) en eveneens, zij het in mindere mate, in het zuidelijk deel van Nederland (vooral Zeeland) dan in de rest van het taalgebied.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links