Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
18.5.4.3.iii Gaan
Verder lezen
1
Bij het groepsvormend werkwoord gaan kunnen we twee hoofdtypen onderscheiden, die verschillen in het al dan niet aanwezig zijn van het betekeniselement 'zich verplaatsen'.
  1. Met de betekenis 'zich verplaatsen';
    Gaan heeft de betekenis 'zich verplaatsen om te doen wat door de infinitief wordt uitgedrukt'. Voorbeelden zijn:
    1Opa gaat een eindje wandelen in het park.
    2Ik ga ervandoor, ik ga slapen.
    3In verband met mijn nieuwe betrekking gaan we in Antwerpen wonen.
    In zinnen als deze wordt uitgedrukt dat de inhoud van het zelfstandig werkwoord pas gerealiseerd wordt na een verplaatsing. Behalve een verplaatsing geeft gaan + infinitief hier dus ook aan dat de (door de infinitief uitgedrukte) werking in de toekomst ligt.
  2. Zonder de betekenis 'zich verplaatsen';
    Hier tekenen zich twee subtypes af.
    1. Het eerste subtype omvat de gevallen waarin gaan de betekenis heeft '(geleidelijk) overgaan tot', 'beginnen te' (inchoatief aspect (zie [30.1/3]); vergelijk [18.5.5.4]). Voorbeelden zijn:
      4Allemaal klaar? Dan gaan we rijden!
      5Pas na de rust ging hij echt voetballen.
      6Ik heb een half uur in bed liggen lezen en toen ben ik gaan slapen.
      7Ik voel de eerste druppels al: het gaat regenen.
      8De wedstrijd gaat beginnen.
      In zinnen als deze wordt niet uitgedrukt dat er voor de realisering van de inhoud van het zelfstandig werkwoord een verplaatsing nodig is: om te rijden (zin 4), te voetballen (zin 5) en te slapen (zin 6) hoeven de met het onderwerp aangeduide personen niet ergens anders heen te gaan (vergelijk zin 6 met zin 2).
      De betekenis '(geleidelijk) overgaan tot', 'beginnen te' impliceert wel dat de door de infinitief uitgedrukte werking zich vanaf een bepaald punt in een daarachter gelegen tijdsruimte uitstrekt. Is dat punt het spreekmoment, dan is die tijdsruimte de toekomst en heeft gaan + infinitief dus ook futurale betekenis (zie de zinnen 4 en 8).
      Opmerking
      Verdieping
      Opmerking
      De combinaties gaan zitten/staan/liggen ('in zittende/staande/liggende houding komen') zijn als een bijzonder geval van dit betekenistype te beschouwen.
    2. Het tweede subtype omvat de gevallen waarin gaan geen 'overgangsbetekenis' heeft zoals bedoeld onder [1] (en evenmin de verplaatsingsbetekenis van type [a]), maar alleen aanduidt dat de (door de infinitief) uitgedrukte werking in de toekomst ligt, welke functie ook vervuld kan worden door het presens (zie [2.4.8.3/iii]) en het futurum (zie [2.4.8.5]).
2
Het is van belang hierbij in het oog te houden dat een zin die uit dezelfde woorden bestaat tot verschillende (sub)types kan behoren.
Zo betekent het gaat regenen in de hierboven gegeven zin 7: 'het begint te regenen' (type [b][1]). Deze interpretatie is daarentegen zo niet onmogelijk, dan toch zeer onwaarschijnlijk in een voorbeeld als:
9Wat voor weer is het morgen? Het gaat regenen/sneeuwen/onweren/hard waaien.
Werkwoorden die een weersgesteldheid uitdrukken, worden als ze op de toekomst betrekking hebben, bij voorkeur met gaan geconstrueerd. In gevallen als geïllustreerd door 9 kan weliswaar een geleidelijke overgang naar het genoemde weertype bedoeld worden, maar dat is beslist niet noodzakelijk. Bij de gebruikelijke korte mededelingen over het weer van de volgende dag bedoelt men meestal dat het een bepaald soort weer zal zijn (type [b][2]), niet zal worden (type [b][1]). Ook een zin als 10 kan zowel tot type [b][1] als tot type [b][2] gerekend worden:
10Om de investeringen te financieren gaat de maatschappij een ruimer beroep doen op de kapitaalmarkt.
Wil men hiermee zeggen dat de maatschappij zich in het beginstadium van een proces ('een ruimer beroep doen op de kapitaalmarkt') bevindt, dan behoort de zin tot type [b][1]; gaat het alleen om een toekomstige handelwijze, dan is het een voorbeeld van type [b][2].
Een zin die tot type [a] en type [b][2] kan behoren (type [b][1] is hier minder goed denkbaar), is bijv.:
11Hij gaat meedoen aan de Ronde van Frankrijk.
Gezegd van iemand die op het punt staat met zijn racefiets naar het zuiden te vertrekken, behoort dit voorbeeld tot type [a] (verplaatsingsbetekenis); gezegd van iemand die pas een jaar later aan het genoemde evenement zal deelnemen, behoort de zin tot type [b][1] (futuraal; al is een (toekomstige) verplaatsing natuurlijk geïmpliceerd).
Iets dergelijks geldt voor:
12Ik ga die brief nu onmiddellijk verbranden.
Begeeft de spreker zich tijdens het uitspreken van deze zin bijv. van zijn studeerkamer naar de keuken, dan behoort de zin tot type [a]; blijft hij waar hij is, dan is gaan uitsluitend futuraal (type [b][2]).
Voorbeelden waar de uitsluitend futurale betekenis (type [b][2]) de enig mogelijke of meest voor de hand liggende is (vergelijk 13 met 10 en 14 met 11):
13Om de investeringen te financieren gaat de maatschappij een lening sluiten van twee miljoen.
14Ik ga ook eens meedoen aan dat telefoonspelletje.
15Hopelijk gaat het nieuwe kabinet hier een eind aan maken.
16Het is te verwachten dat de liberalen de in te dienen motie gaan steunen.
3
Het futurale gaan wordt soms bij voorkeur gebruikt bij werkwoordelijke aanvullingen met een bepaalde betekenis. Daartoe behoren de onder 2 al genoemde werkwoorden die een weersgesteldheid uitdrukken. Voorwaarde voor het gebruik van deze werkwoorden in zinnen als 9 is wel, dat het op het moment waarop de zin wordt uitgesproken, niet regent, sneeuwt, enz. (anders zegt men: Het blijft regenen/sneeuwen, enz.). Er wordt dus een verandering van toestand uitgedrukt, wat ook geldt voor de zo aanstonds te noemen werkwoorden.
Omdat het hier gaat om een overgang van de ene toestand naar de andere, is er dus een zekere overeenkomst met de 'overgangsbetekenis' van type [b][1]>; vandaar dan ook dat er gesproken wordt van twee subtypes die tot één hoofdtype behoren. De 'geleidelijke overgang' van [b][1] is echter duidelijk te onderscheiden van de 'verandering van toestand' van [b][2].
Een andere categorie werkwoorden die een verandering van toestand uitdrukken en die, wanneer ze op de toekomst betrekking hebben, bij voorkeur met gaan geconstrueerd worden, zijn werkwoorden die een verandering van status, werkkring, woonplaats en dergelijke aanduiden, zoals afstuderen, trouwen, (van betrekking) veranderen, verhuizen. Voorbeelden:
17(Heb je het al gehoord?) Jasper en Laura gaan volgende maand trouwen.
18In verband met mijn nieuwe baan gaan we verhuizen.
Voor de hier genoemde categorieën werkwoorden geldt dat gaan + infinitief de normale toekomstaanduider is, en dat presens en vooral futurum duidelijk minder gebruikelijk zijn.
4a
In het algemeen komt het futurale gaan meer in gesproken dan in geschreven taal voor. Ook heeft het in het Belgische Nederlands (vooral in West-Vlaanderen) meer mogelijkheden dan in het Nederlands dat in Nederland gangbaar is; de hieronder als ' regionaal' gekenschetste voorbeelden behoren tot eerstgenoemde taalvariëteit.
In de standaardtaal kan gaan als groepsvormend werkwoord niet verbonden worden met hebben, zijn, gaan (inclusief afleidingen en samenstellingen), een hulpwerkwoord van modaliteit, (be)horen, dienen en durven, terwijl futurum en presens van die werkwoorden wel gebruikt kunnen worden. Vergelijk:
19aVolgend jaar zullen we een nieuwe burgemeester hebben.
bVolgend jaar hebben we een nieuwe burgemeester.
cVolgend jaar gaan we een nieuwe burgemeester hebben.uitgesloten
20aOp 29 januari 1998 zal het ruimteschip de dampkring van de planeet bereikt hebben.
bOp 29 januari 1998 heeft het ruimteschip de dampkring van de planeet bereikt.
cOp 29 januari 1998 gaat het ruimteschip de dampkring van de planeet bereikt hebben.uitgesloten
21aAanstaande zaterdag zal ik niet thuis zijn.
bAanstaande zaterdag ben ik niet thuis.
cAanstaande zaterdag ga ik niet thuis zijn.uitgesloten
22aOver tien jaar zal Kees een volwassen man zijn.
bOver tien jaar is Kees een volwassen man.
cOver tien jaar gaat Kees een volwassen man zijn.uitgesloten
23aDit boek zal over ruim een jaar voltooid zijn.
bDit boek is over ruim een jaar voltooid.
cDit boek gaat over ruim een jaar voltooid zijn.uitgesloten
24aIk ben verhinderd, dus ik zal niet meegaan.
bIk ben verhinderd, dus ik ga niet mee.
cIk ben verhinderd, dus ik ga niet meegaan.uitgesloten
25aAls hij zo doorgaat, zal het hem nog eens heel slecht vergaan.
bAls hij zo doorgaat, vergaat het hem nog eens heel slecht.
cAls hij zo doorgaat, gaat het hem nog eens heel slecht vergaan.regionaal
26aWe zullen volgend jaar twee miljoen moeten bezuinigen.
bWe moeten volgend jaar twee miljoen bezuinigen.
cWe gaan volgend jaar twee miljoen moeten bezuinigen.regionaal
27aDaarom zal ik deze begroting nooit kunnen verdedigen.
bDaarom kan ik deze begroting nooit verdedigen.
cDaarom ga ik deze begroting nooit kunnen verdedigen.regionaal
28aAls je hem zo bang maakt, zal hij helemaal niets durven zeggen.
bAls je hem zo bang maakt, durft hij helemaal niets te zeggen.
cAls je hem zo bang maakt, gaat hij helemaal niets durven zeggen.regionaal
Uit het bovenstaande volgt dat zullen niet tot de werkwoordelijke aanvulling van gaan kan behoren. Het omgekeerde is wel mogelijk. Vergelijk:
29aOm de investeringen te financieren zal de maatschappij een ruimer beroep gaan doen op de kapitaalmarkt.
bOm de investeringen te financieren gaat de maatschappij een ruimer beroep zullen doen op de kapitaalmarkt.uitgesloten
30aOm de investeringen te financieren zal de maatschappij een lening gaan sluiten van twee miljoen.
bOm de investeringen te financieren gaat de maatschappij een lening zullen sluiten van twee miljoen.uitgesloten
Het ligt voor de hand in 29a zal op te vatten als toekomst-aanduider en gaan als werkwoord dat het inchoatief aspect aangeeft. In 30a kunnen zal en gaan allebei moeilijk anders dan als toekomst-aanduiders geïnterpreteerd worden. Dit pleonastisch gebruik van futurum en gaan met infinitief is bepaald niet ongewoon te noemen. Enkele andere voorbeelden:
31Hopelijk zal het nieuwe kabinet doeltreffende maatregelen gaan nemen.
32De volgende keer zal ik ook eens mee gaan doen aan dat telefoonspelletje.
33Een huis kopen? Dat zal hem een hoop geld gaan kosten.
34Je weet nooit wat er zal gaan gebeuren.
4b
Als voor de uitdrukking van een toekomstige werking zowel het futurale gaan (type [b][2]) als het presens en/of het futurum bruikbaar zijn, bestaat er meestal een - vaak moeilijk te omschrijven - betekenisverschil tussen deze uitdrukkingsmogelijkheden. Zeer in het algemeen is dit betekenisverschil weer te geven in termen van 'onzekerheid' en 'zekerheid'. Uiteraard is de toekomst per definitie nog niet zeker, maar de manier waarop men (zich) de toekomst voorstelt kan meer of minder zeker zijn. Geringere zekerheid wordt dan uitgedrukt door zullen, dat immers modale (bij)betekenissen kan hebben (vergelijk [18.5.4.4/iif]); grotere zekerheid door het presens en gaan + infinitief.Vooral aan vragende zinnen is dit te demonstreren. Vergelijk:
35aWat zal Hans morgen doen?
bWat doet Hans morgen/gaat Hans morgen doen?
Wie 35a uitspreekt, verkeert in onzekerheid over Hans' activiteiten van de volgende dag; op de gestelde vraag lijkt niet direct een antwoord mogelijk (tenzij: Ik weet het niet.). Wie 35b zegt, vraagt om informatie over deze activiteiten; de vraag suggereert dat er een (eenvoudig) antwoord mogelijk is.
Vergelijk verder:
36aWat zal ik morgen doen?
bWat doe ik morgen/ga ik morgen doen?
37aWat zul jij morgen doen?
bWat doe jij morgen/ga jij morgen doen?
Zin 36a is van communicatief standpunt gezien geen 'echte' vraag: de spreker uit zijn onzekerheid, verwacht geen antwoord. Mits aan een ander gevraagd (bijv. aan een chef) is 36b wel een normale vraag om informatie, waarop in en antwoord 'zekerheid' gegeven kan worden. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor 37b. Zin 37a is geen zeer voor de hand liggende uiting; als parafrase is mogelijk 'Ik vraag me af hoe jij je morgen zult gedragen', wat ook weer onzekerheid weergeeft.
Andere nuances van (on)zekerheid komen voor in de volgende zinsparen, zoals moge blijken uit de toegevoegde contexten en parafrases:
38a(Morgen komen de kleinkinderen, en die willen altijd zo graag een sneeuwpop maken in de tuin.) Maar zal het morgen sneeuwen?
b(Heb je het weerbericht nog gehoord?) Sneeuwt het morgen/gaat het morgen sneeuwen?
39a(Voorstel van de ene huisgenoot aan de andere: ) Zullen we verhuizen?
b(Vraag van de ene huisgenoot, als de andere het huisraad ingepakt blijkt te hebben: ) Verhuizen we/gaan we verhuizen?
40aWat zal er morgen gebeuren? (= 'Wat hangt ons boven het hoofd?')
bWat gebeurt er morgen/gaat er morgen gebeuren? (= 'Wat staat er op het programma?')
In niet-vragende zinnen zijn dergelijke betekenisverschillen meestal minder duidelijk of zelfs praktisch afwezig. Vergelijk:
41aVolgend jaar zal hij meedoen aan de Ronde van Frankrijk.
bVolgend jaar doet hij mee/gaat hij meedoen aan de Ronde van Frankrijk.
42aHopelijk zal het nieuwe kabinet doeltreffende maatregelen nemen.
bHopelijk neemt het nieuwe kabinet doeltreffende maatregelen/gaat het nieuwe kabinet doeltreffende maatregelen nemen.
43aIk zal die brief nu onmiddellijk verbranden.
bIk verbrand die brief nu onmiddellijk/ga die brief nu onmiddellijk verbranden.
44aOm de investeringen te financieren zal de maatschappij voortaan een ruimer beroep doen op de kapitaalmarkt.
bOm de investeringen te financieren doet de maatschappij voortaan een ruimer beroep/gaat de maatschappij voortaan een ruimer beroep doen op de kapitaalmarkt.
45aHet is te verwachten dat de liberalen de in te dienen motie zullen steunen.
bHet is te verwachten dat de liberalen de in te dienen motie steunen /gaan steunen.
Al deze voorbeelden zijn uiteraard uitsluitend futuraal bedoeld. Toch zullen veel taalgebruikers in de (a) -zinnen (met het futurum) een modale nuance onderkennen, die in overeenstemming is met het hierboven uiteengezette betekenisverschil tussen het futurum enerzijds en het presens en gaan + infinitief anderzijds. Het futurum wordt dan ook het meest gebruikt in de voorzichtiger en meer genuanceerd geformuleerde geschreven taal, terwijl het presens en gaan + infinitief meer voorkomen in de directere gesproken taal.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links