Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.3.2.8.iv.b Het gebruik van hebben: algemene regels
Verder lezen
Met hebben worden alle overgankelijke (transitieve) werkwoorden vervoegd en alle onovergankelijke werkwoorden die geen verandering van toestand van het onderwerp uitdrukken (vergelijk [2.3.2.8.iv.a]). Van zowel de overgankelijke als van de onovergankelijke werkwoorden die hebben krijgen, geven we een aantal voorbeelden (naar volledigheid is niet gestreefd):
overgankelijk aaien, aanvaarden, achten, achtervolgen, afbeelden, bedanken, bedoelen, begeren, begrijpen, bekleden, beleven, besluipen, besparen, besteden, betimmeren, denken, drukken, haten, hebben, horen, keuren, maken, ruiken, sturen, willen, enz.
1De kinderen hebben allebei griep gehad.
2Ik heb een kast gemaakt.
onovergankelijk aarzelen, ademen, babbelen, geuren, gloeien, hangen, klinken, leven, lichten, liggen, piepen, schijnen, slapen, smaken, staan, turen, waaien, zitten, zweven, enz.
3Hij heeft een uurtje op bed gelegen.
4Het heeft flink gewaaid.
De werkwoorden die zowel overgankelijk als onovergankelijk voorkomen, worden met hebben vervoegd, ongeacht of ze al dan niet een lijdend voorwerp bij zich hebben:
5aWe hebben gekookte tarbot gegeten.
bWe hebben erg lekker gegeten.
6Ik heb al jaren geen sigaret meer gerookt, maar vroeger heb ik wel gerookt.
De wederkerende werkwoorden gedragen zich doorgaans zoals de overgankelijke:
7Je hebt je vandaag zeker niet geschoren?
8Hij zal zich wel vergist hebben.
Voor onovergankelijke werkwoorden die normaal met zijn vervoegd worden, geldt dat ze dit hulpwerkwoord in het algemeen behouden als ze in bijzondere gevallen overgankelijk en/of wederkerend gebruikt worden:
9aZij is op hoge leeftijd gestorven.
bZij is de heldendood gestorven.
10aDie jongen is erg geschrokken.
bDie jongen is zich een aap geschrokken.
De werkwoorden beginnen, kwijtraken, naderen en tegenkomen kunnen alleen met zijn vervoegd worden, bijv.:
11Hij is een eigen zaak begonnen.
12Ze was haar portemonnee kwijtgeraakt.
13De vijand is de stad genaderd.
14Ik ben hem gisteren nog tegengekomen.
Het werkwoord oversteken wordt gewoonlijk met zijn vervoegd, al is hebben hier niet geheel uitgesloten:
15Het kind was plotseling de weg overgestoken.
Verleren wordt iets vaker met hebben dan met zijn vervoegd, bijv.:
16Hij bleek het zwemmen nog niet verleerd te hebben/te zijn.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links