Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.8.1 Inleiding
Verder lezen
1
Vóór het zinsdeel(stuk) op de eerste zinsplaats - in zinnen waar de persoonsvorm zelf eerste zinsdeel is (zinstype 1b, zie [21·2·3]) vóór die voor-pv - kunnen nog elementen voorkomen. Die elementen behoren tot de aanloop van de zin. Zoals in [21·1·1·2/1] al aangegeven is, valt de aanloop buiten de 'eigenlijke zin'. De aanloopplaats is het eerste vakje uit het abstracte zinsschema (schema 21.4) dat we hier, gevuld met concrete voorbeelden, gedeeltelijk herhalen als schema 21.12.
schema 21.12: De aanloop in zinnen met voor-pv (resp. zinstype 1a en zinstype 1b).
aanloop eerste zinsplaats 1ste pool middenstuk 2de pool laatste zinsplaats uitloop
voor-pv (overige ww. vormen)
Z'n broer, die heeft altijd al graag een glas bier gedronken. - -
Zo'n privé-rekening, kan ik die nu ook gebruiken om mijn studietoelage te ontvangen? -
Elementen in de aanloop zijn vaak van de eigenlijke zin afgescheiden door een zogenaamde komma-intonatie: na de aanloop is er een lichte pauze merkbaar, die bij het schrijven door een komma kan worden weergegeven.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Een aanloop kan bovendien nog van de eigenlijke zin afgescheiden worden door een tussenwerpsel en/of een aanspreking. Enkele voorbeelden:
iDie jongen, [hè, Jan, ] die stond gisteren in de krant.
iiOok al doe je nog zo je best, [, ] je komt er toch niet.
iiiDat kind, [tja, ] was dat al rijp voor zo'n boek?
Een aanloop vereist meestal (maar zie [21·8·2]) een verwijswoord in de eigenlijke zin. Een verwijswoord is een woord dat in de eigenlijke zin een verband legt met de aanloop. Anders uitgedrukt: het is een woord dat de aanloop, die niet direct een functie heeft in de zin, er min of meer los van staat, in de eigenlijke zin integreert. In de voorbeeldzinnen die nu volgen is het verwijswoord gecursiveerd:
1Dat huis van jullie, dat |vind| ik wel mooi.
2Z'n broer, |heb| je die ook uit|genodigd| op het feest?
3Met een hamer, daarmee |moet| je het |doen. |
4Vorige week, toen |zou| hij je toch mee|nemen? |
5Als je een vertaling wilt maken, dan |moet| je de te vertalen tekst eerst helemaal door|lezen.|
6Langzaamaan, zo |moet| je te werk |gaan.|
Het verwijswoord kan een aanwijzend woord zijn, met name een aanwijzend voornaamwoord (alleen dat en die), bijv. in 1 en 2, een aanwijzend voornaamwoordelijk bijwoord, bijv. in 3, of een bijwoord met verwijzende functie zoals toen (zie zin 4), dan (zie 5) of zo (zie 6).
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Soms komt er discongruentie voor tussen de aanloop en de 'eigenlijke zin'. Dat is het geval in het volgende voorbeeld, waarin het meervoudige aanwijzende voornaamwoord die verwijst naar het collectivum het Rode Kruis:
iHet Rode Kruis, die |hebben| daar geen geld voor.
Vergelijk verder [5·1·2/1].
Een ander geval vormt het bijwoord toch in zinnen als 7.Toch geldt niet als een echt verwijswoord. Weliswaar kan men ook hier zeggen dat het woord de eigenlijke zin met de aanloop verbindt, maar dat gebeurt op een andere manier: toch drukt een tegenstelling uit met wat in het toegevende eerste deel van de zin (de aanloop) gezegd wordt.
7Wat hij ook vertelt, toch |geloof| ik het niet.
Een verschil tussen de twee categorieën aanloopconstructies is dat die met een echt verwijswoord (zoals 1 t/m 6) nagenoeg beperkt zijn tot gesproken taal, terwijl die beperking niet geldt voor die met toch.
De hier genoemde verwijswoorden en het bijwoord toch komen - althans in zinstype 1a - doorgaans op de eerste zinsplaats voor (vergelijk [21·3·2·1]).
2
Zinnen met achter-pv (zinstype 2) kunnen alleen in enkele, uitsluitend in informeel taalgebruik voorkomende, gevallen een aanloop hebben. Deze gevallen kunnen beschreven worden in het licht van het voorgaande. Bekijk de zinnen:
8Die jongen, dat die gek is, dat |heb| ik altijd al |gezegd. |informeel
9Die sollicitant, als je die aanneemt, dan |stap| ik meteen uit de benoemingscommissie.informeel
We hebben hier te maken met samengestelde zinnen. Ze zijn te analyseren als zinnen van het zinstype 1a. Het gecursiveerde deel van 8 en 9 (de afhankelijke zin) vormt in zijn geheel de aanloop van deze zinnen. Naar die aanloop wordt verwezen door een verwijswoord (dat, respectievelijk dan) dat hier op de eerste zinsplaats staat. Het verwijswoord hoeft in deze zinnen evenwel niet aanwezig te zijn. (Als het niet aanwezig is, bezet het gecursiveerde stuk echter de eerste zinsplaats.) Die aanloop, de afhankelijke zin dus, kan op zijn beurt beschreven worden in termen van het schema voor de woordvolgorde. We herhalen het eerste gedeelte van de zinnen 8 en 9 respectievelijk als:
10Die jongen, |dat| die gek |is| (...).
11Die sollicitant, |als| je die |aanneemt| (...).
In de (b) -zinnen is het cursieve gedeelte nu aanloop van de ingebedde zin. Het verwijswoord (in beide zinnen die) staat nu in het middenstuk, vanwege het feit dat de eerste zinsplaats in zinnen met achter-pv onbezet blijft (zie [21·1·1]).
Een voorbeeld van een ander type is dit geval met een voorwerpszin in de semi-directe rede:
12(Moeder zei, ) als we braaf waren, |dat| we dan een snoepje |kregen. |
3
De categorieën elementen die in de aanloop kunnen voorkomen, worden besproken in [21·8·2]. We vermelden hier alleen dat deze elementen doorgaans ook als uitloop mogelijk zijn. (Zie voor mogelijke verschillen tussen aanloop en uitloop [21·9].) Bovendien kunnen ze meestal in de eigenlijke zin zelf opgenomen worden. (Zie hiervoor ook bij het middenstuk, [21·4].)
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links