Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.7 Zinsaccent en intonatie
Elke spraakuiting wordt gekenmerkt door eigenschappen die de individuele klanken (klinkers en medeklinkers) overstijgen. Samen vormen deze eigenschappen de prosodie. Een belangrijk onderdeel van prosodie is het toonhoogteverloop van de zin: de intonatie (zinsmelodie). Andere prosodische kenmerken van een spraakuiting zijn bijvoorbeeld de spreeksnelheid en luidheid van de stem. De prosodie van een spraakuiting heeft verschillende communicatieve functies, waaronder frasering, informatiestructurering, attitudesignalering en emotiesignalering.
Rietveld & Van Heuven (2016: 283-284).
Het toonhoogteverloop (ofwel de intonatiecontour) van een zin wordt bepaald door de plaatsing van de zinsaccenten, het toonhoogteverloop tussen de accenten en de bedoeling van de spreker.
Verder lezen
Frasering
Ten eerste geeft prosodie de structuur van de spraakuiting aan door de grenzen van woordgroepen en zinnen te markeren. Dit noemen we frasering (ook wel: gesproken interpunctie). De prosodische structuur van zinnen wordt gewoonlijk opgedeeld in prosodische constituenten of prosodische domeinen: de spraakuiting (U), de intonationele frase (IP), en de fonologische frase (φ).
Nespor & Vogel (1986)
De fonologische frase bestaat uit één of meer (prosodische) woorden. In (1) is een overzicht gegeven van de prosodische constituenten die hier van belang zijn.
1Prosodische hiërarchie
Spraakuiting (U)
Intonationele frase (IP)
Fonologische frase (φ)
Prosodisch woord (ω)
In het Nederlands wordt de fonologische frase gevormd door een lexicaal woord en de voorafgaande functiewoorden, en eventuele achterzetsels zoals in in de woordgroep het bos in. Daarnaast behoren functiewoorden aan het einde van een zin tot de voorgaande fonologische frase.
Booij (1995: 144).
Een intonationele frase (IP) bestaat uit een of meer fonologische frases en komt ruwweg overeen met de syntactische zin in de betekenis van ‘clause’.
De grenzen van prosodische constituenten worden met name gemarkeerd door temporele verschijnselen. Zo worden de grenzen van verschillende constituenten gekenmerkt door een vertraging in de spreeksnelheid aan het einde van de constituent (finale verlenging).
Rietveld & Van Heuven (2016: 328).
Daarnaast worden de grenzen van een IP vaak gemarkeerd door spreekpauzes.
Nespor & Vogel (1986).
Neem bijvoorbeeld de volgende spraakuiting:
Gussenhoven (2005: 119)
2De nieuwe architect bleef krap zes maanden, maar niemand vond dat een probleem
Deze uiting kan als volgt worden opgedeeld in IPs:
Nespor & Vogel (1986)
3((De nieuwe architect bleef krap zes maanden)###IP### (maar niemand vond dat een probleem)###IP###)###U###
In zin (2) wordt de grens tussen de twee IP’s aangegeven door middel van een komma. In spraak kan dit worden gedaan door middel van finale verlenging in de eerste IP en eventueel een korte pauze in de spraakuiting. Ten slotte kunnen de domeingrenzen (optioneel) gekenmerkt worden door grensmarkerende toonhoogtebewegingen.
Informatiestructurering
Een tweede functie van prosodie is het aangeven van de informatiestructuur van een zin, de verhouding tussen oude en nieuwe informatie. Woorden die nieuwe of belangrijke informatie bevatten krijgen een zinsaccent. Een zinsaccent is een accent op de beklemtoonde lettergreep van een woord in een zin, waardoor dat woord nadruk krijgt. Een zin heeft minstens één zinsaccent. In het volgende voorbeeld is er één woord met zinsaccent (waarbij de lettergreep met het zinsaccent met hoofdletters is weergegeven):
4(Waar is Jan?) Jan is in de KAmer.
Het accent op kamer in (4) geeft aan dat de woordgroep in de kamer nieuwe informatie is. Hierbij valt het accent op het prosodisch hoofd van de woordgroep, in dit geval het inhoudswoord kamer. Jan krijgt geen accent, omdat Jan al bekende informatie is.
Behalve nieuwe informatie kunnen zinsaccenten ook een contrast aangeven:
5(Is Jan in de kamer of in de keuken?) Jan is in de KAmer, niet in de KEUken.
Hier markeren contrastaccenten op kamer en keuken het contrast tussen deze twee verschillende locaties. De fonetische realisatie van een zinsaccent wordt primair gekenmerkt door een toonhoogtebeweging, een stijging of daling (of een combinatie daarvan) in de toonhoogte. Daarnaast wordt een woord met zinsaccent verlengd.
Attitudesignalering
Verder wordt prosodie gebruikt om de bedoeling van de spreker ten opzichte van de inhoud van de zin aan te duiden. Zo kan bijvoorbeeld door middel van prosodie worden aangegeven of de zin vragend of mededelend bedoeld is. Dit wordt uitgedrukt door middel van de intonatiecontour van een zin. Zo eindigt een vragende zin meestal met een stijgende intonatiecontour, terwijl een mededelende zin gewoonlijk wordt gekenmerkt door een dalende intonatiecontour (6). Intonatiecontouren kunnen ook aangeven of de beurt van de spreker is afgerond of voortgezet wordt, en in combinatie met andere prosodische kenmerken signaleren of een zin oprecht of sarcastisch is bedoeld.
6We gaan vanavond naar de schouwburg.
Dit voorbeeld komt oorspronkelijk uit Collier & ’t Hart (1981).
Emotiesignalering
Een laatste functie van prosodie is emotiesignalering, waarbij de gemoedstoestand van de spreker de intonatie van een zin beïnvloedt. Zo hebben vrolijke spraakuitingen vaak een hogere toonhoogte en een groter bereik in het toonhoogteverloop dan verdrietige spraakuitingen, die een lagere en vlakkere intonatiecontour hebben.
Van Bezooijen (1984); Mozziconacci (1998).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Nelleke Jansen november 2020 De verantwoordelijke redacteur is Nelleke Jansen. Een tussentijdse versie van dit hoofdstukdeel werd van commentaar voorzien door Geert Booij, Carlos Gussenhoven, en Vincent van Heuven. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit hoofdstukdeel berust bij Nelleke Jansen.
    Interessante links