Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.7.1.3 Syntactische structuur en accentplaatsing
De plaatsing van het zinsaccent wordt niet alleen bepaald door de informatiestructuur van een zin (zie paragraaf 1.7.1.1), maar ook gedeeltelijk door de syntactische structuur van een zin. Zo zijn er een aantal grammaticale eigenschappen die bepalen of een woord of woordgroep wel of geen zinsaccent kan krijgen. Functiewoorden krijgen gewoonlijk geen zinsaccent, net als syntactische constituenten die aan de rechterrand van een zin zijn bijgevoegd, zoals bijwoordelijke bepalingen. Ook valt het zinsaccent niet op werkwoorden grenzend aan een argument in zinnen die een gebeurtenis beschrijven. Aan de andere kant zorgt topicalisatie van een woord er juist voor dat dit woord wél een accent krijgt.
Verder lezen
Syntaxis en deaccentuering
Er zijn verschillende syntactische eigenschappen die ervoor zorgen dat een woord of woordgroep gedeaccentueerd blijft. We beschrijven ze hier aan de hand van zin (1),
Bron: Gussenhoven (2005: 120)
waarin alleen het woord postbode een zinsaccent krijgt, terwijl de, gisteren, heeft een ongeluk gehad, Hendrik, en zei Rie op veelbetekenende toon buiten de zinsaccenttoekenning blijven.
1De POSTbode heeft gisteren een ongeluk gehad, Hendrik’, zei Rie op veelbetekenende toon.
Ten eerste speelt woordsoort een rol: functiewoorden krijgen normaal gesproken geen zinsaccent. Dit zijn bijvoorbeeld lidwoorden, voorzetsels, en hulpwerkwoorden. Binnen een woordgroep met focus (zie paragraaf 1.7.1.1) valt het zinsaccent namelijk op het prosodisch hoofd, wat gewoonlijk een inhoudswoord is (bijv. een zelfstandig naamwoord, hoofdwerkwoord, of bijvoeglijk naamwoord).
Functiewoorden met contrastieve focus kunnen wel een zinsaccent krijgen, zie paragraaf 1.8.1.2 en Booij (1995: 155).
Zin (1) bevat het focusdomein de postbode heeft een ongeluk gehad, waarbij het zinsaccent valt op de NP de postbode. Binnen deze constituent valt het accent op het zelfstandig naamwoord postbode (het prosodisch hoofd) en niet op het lidwoord de.
Sommige constituenten aan de rechterzijde van de zin dragen geen zinsaccent. Het gaat hier om bijwoordelijke bepalingen van plaats en tijd, zoals hier en vandaag, vocatieven (i.e. wanneer iemand wordt aangesproken) en rapporterende zinnen, zoals zei Jan.
Gussenhoven (2005: 119-120).
Zin (1) bevat een bijwoordelijke bepaling van tijd (gisteren), een vocatief (Hendrik) en een rapporterende zin (zei Rie op veelbetekenende toon). Deze constituenten blijven allemaal accentloos.
Verder valt het zinsaccent niet op werkwoorden grenzend aan een argument (het object of subject) in ‘gebeurende’ of eventieve (‘eventive’) zinnen. Eventieve zinnen beschrijven een gebeurtenis, in tegenstelling tot zinnen die de normale gang van zaken, een gewoonte of regel beschrijven. Zo kan de zin De directie geeft dieven aan op twee manieren geïnterpreteerd worden.
2aDe diRECtie geeft DIEven AAN.
bDe diRECtie geeft DIEven aan.
De zin in (2a) is een niet-eventieve zin, die de normale gang van zaken (of voorgeschreven procedure) beschrijft. Deze zin zou bijvoorbeeld op een waarschuwingsbordje in een winkel zou kunnen staan. Omdat dit een niet-gebeurende zin is krijgt elke constituent met focus een zinsaccent, inclusief het werkwoord aangeven (merk op dat het accent blijft zitten op de syllabe met woordklemtoon, ook bij scheidbare werkwoorden). Zin (2b) is een eventieve zin, die een specifieke gebeurtenis beschrijft. Daarnaast grenst het werkwoord (aangeven) direct aan een argument, het object (dieven). Hier krijgt het werkwoord geen accent.
Booij (1995: 158), Gussenhoven (2005: 119-120).
Als het werkwoord niet direct grenst aan het object of subject, kan er wel een accent op geplaatst worden. Een voorbeeld is zin (3), waarbij het werkwoord van het object gescheiden wordt door het woord vanmiddag.
3De diRECtie geeft die DIEven vanMIDdag AAN.
Topicalisatie
De syntactische structuur kan er ook voor zorgen dat een woord of woordgroep juist wél een zinsaccent krijgt, namelijk als er sprake is van topicalisatie. Topicalisatie zorgt ervoor dat een constituent vooraan wordt geplaatst in een zin. Een constituent die getopicaliseerd is, krijgt een zinsaccent, zoals in (4):
4a(Wat is er gebeurd met Yvonne?)
4aHij heeft Yvonne gearresTEERD.
b(Wat is er gebeurd met Yvonne?)
bYVOnne heeft hij gearresTEERD.
In zowel (4a) als (4b) wordt een zinsaccent geplaatst op het woord gearresteerd, dat nieuwe informatie weergeeft en focus draagt. Yvonne is gegeven informatie, omdat ze al genoemd is in de vraag. Toch krijgt Yvonne een zinsaccent in (4b), omdat deze constituent vooraan is geplaatst door topicalisatie.
Booij (1995: 158).
Dit kan ook beschouwd worden als een vorm van focus (topicalisatiefocus of presentatief focus).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Nelleke Jansen november 2020
    Interessante links