Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.8.1 Het beginsel van vormovereenkomst
Morfemen worden soms op één manier gespeld, ook al worden ze op meer dan een manier uitgesproken. Dit wordt het Beginsel van vormovereenkomst genoemd.
Dit beginsel wordt ook wel aangeduid als het principe van gelijkvormigheid, zie ook de Leidraad  voor de Nederlandse spelling.
Beginsel van vormovereenkomst We spellen een woord of woorddeel zo veel mogelijk op dezelfde wijze.
Volgens het Beginsel van vormovereenkomst spellen we bijvoorbeeld de klankreeks hut als hoed, vanwege de relatie met het woord hoeden hudən. Dat leidt niet tot verwarring over de uitspraak van dit woord, omdat de taalgebruiker uitsluitend stemloze plof- en wrijfklanken realiseert aan het eind van een syllabe. Het Beginsel van vormovereenkomst bepaalt ook dat we (ik) word spellen, met een d, vanwege het verwante worden, ook al spreken we word uit als wɔrt.
Het Beginsel van vormovereenkomst wordt niet toegepast bij de wrijfklanken f, v en s, z. Het woord kaas kas spellen we met een s ondanks de morfologische relatie met kazen kazən, die ons kaazuitgesloten zou doen spellen op grond van het Beginsel van vormovereenkomst, en de spelvorm van lief is niet lievuitgesloten, ondanks de relatie met de verbogen vorm lieve.
Een ander voorbeeld van toepassing van het Beginsel van vormovereenkomst is de spelling van het morfeem act- in morfologisch verwante woorden zoals actie ɑksi en acteur ɑktør. Met de t correspondeert in het eerste woord een s, in het tweede woord een t.
Een specifiek geval van vormovereenkomst is de Regel van analogie:Zie ook de Leidraad  voor de Nederlandse spelling.
Regel van analogie Woorden die op overeenkomstige wijze zijn gevormd, worden op overeenkomstige wijze geschreven. (Woordenlijst der Nederlandse Taal, p. 19)
Deze regel bepaalt bijvoorbeeld dat we de 2e en de 3e persoon enkelvoud van worden spellen als wordt, niet alleen met een d vanwege de verwante vorm worden, maar ook met een finale t, analoog aan een woordvorm als koopt. De fonetische realisatie van het suffix -t is afwezig in de fonetische vorm wɔrt, maar we spellen toch een t achter de stam word.
Dit principe wordt overruled bij de spelling van de 2e en 3e persoon enkelvoud van werkwoorden waarvan de stam op een t eindigt, zoals eten: niet eett, maar eet. Dit komt omdat er een grafotactische regel is die het effect van de Regel van analogie ongedaan maakt: binnen een lettergreep mogen er geen twee identieke medeklinkerletters staan.
De Regel van analogie impliceert spelvormen als de verledentijdsvorm overreedden naast de vorm van de tegenwoordige tijd overreden, twee vormen van het werkwoord overreden met dezelfde fonetische vorm ovəredən. De spelvorm van de werkwoordstam is overreed. De verledentijdsvorm overreedden is gevormd naar analogie van andere verledentijdsvormen die eindigen op -den zoals vormden. Het prefix over wordt altijd met een r gespeld, ook al wordt die r in dat werkwoord doorgaans niet uitgesproken. Zo krijgen we de spelvorm overreedden.
Het Beginsel van vormovereenkomst, inclusief de Regel van analogie, resulteert ook in spellingen als breedte bretə, grootte ɣrotə, en fietsster fitstər, naar analogie van woorden als dik-te en werk-ster.  
Ook bij de spelling van samenstellingen kan analogie een rol spelen. Zo spellen we stationsstraat met ss, naar analogie van woorden als stationsweg, ook al horen we maar één woordinterne s.
Het gebruik van het Beginsel van vormovereenkomst in combinatie met de Regel van analogie in de spelling van werkwoordsvormen is voor veel taalgebruikers niet gemakkelijk. Er worden veel fouten gemaakt. Dat komt omdat de toepassing van deze regels een grammaticaal bewustzijn veronderstelt, dat niet bij iedere taalgebruiker in voldoende mate aanwezig is. Vooral als met één klankvorm twee spelvormen corresponderen, doet dit probleem zich voor, zoals bij de keuze tussen belooft (persoonsvorm) en beloofd (voltooid deelwoord) voor de klankreeks bəloft, en de keuze tussen verbrandde (verledentijdsvorm) en verbrande (verbogen vorm van het voltooid deelwoord verbrand) bij het werkwoord verbranden. De taalgebruiker heeft dan de neiging de meest frequente spelvorm te kiezen. Omdat bijvoorbeeld wordt een hogere gebruiksfrequentie heeft dan word, komen spellingen als wordt bij een zin met het onderwerp ik voor, vooral als deze twee woorden in bijzinnen niet naast elkaar staan.
Verhaert & Sandra (2016).
Verder lezen
Onderliggende vormen en de spelling van werkwoordsvormen
De spelling van werkwoordsvormen
Zie ook de Leidraad  voor de Nederlandse spelling.
kan in veel gevallen worden opgevat als de spelling van de onderliggende vorm van die werkwoordsvorm. Dit geldt bijvoorbeeld voor de werkwoordsvorm brandde: we spreken die uit als brɑndə, maar de onderliggende vorm bestaat uit de stam brand en de verledentijdssuffix -de. Het is deze onderliggende vorm, brɑnd-də, die wordt weergegeven in de spelling.
Maar niet altijd wordt de onderliggende vorm weergegeven in de spelling, zoals het geval is bij gespelde verledentijdsvormen als verbaasde en beloofde. De stam van deze werkwoorden eindigt namelijk op een stemhebbende niet-velaire fricatief (verbaz- en belov). Noch geven deze spellingen de fonetische vormen van deze woorden weer, namelijk bəlovdə en vərbazdə. Hetzelfde geldt voor de fonetisch identieke (verbogen) vormen van de voltooide deelwoorden beloof-d-e en verbaas-d-e waar ook f en s gespeld worden (zie ook 1.4.5.1 De allomorfie van het verledentijds- en voltooiddeelwoordsuffix).
Tabel 1. De spelling van verledentijdsvormen
onderliggende vorm fonetische vorm orthografische vorm
tɔb-də tɔbdə tobde
brɑnd-də brɑndə brandde
zaɣ-də zaɣdə zaagde
belov-də bəlovdə beloofde
vərbaz-də vərbazdə verbaasde
Het beginsel van vormovereenkomst betekent voor de spelling van het Nederlands dat er wordt geabstraheerd van het effect van verplichte fonologische regels, waardoor bij sommige woorden een abstractere fonologische vorm dan de fonemische wordt weergegeven in de spelling. Het belangrijkste voorbeeld hiervan is dat wordt geabstraheerd van het effect van Finale Verscherping bij de stemhebbende plofklanken b en d en bij de stemhebbende wrijfklank ɣ, zoals de volgende werkwoordsvormen illustreren:
Tabel 2. Finale verscherping niet weergegeven bij onderliggende b, d, ɣ
gespelde enkelvoudsvorm fonetische vorm gespelde meervoudsvorm fonetische vorm
krab krɑp krabben krɑbən
aard art aarden ardən
zaag zax zagen zaɣən
Van de wisseling tussen ven f, en die tussen z en s wordt echter in de spelling niet geabstraheerd:
Tabel 3. Finale verscherping wel weergegeven bij onderliggende v, z
gespelde enkelvoudsvorm fonetische vorm gespelde meervoudsvorm fonetische vorm
graaf ɣraf graven ɣravən
raas ras razen razən
In de spelling van verledentijdsvormen als beloof-de en verbaas-de zien we een f en s aan het eind van de stam, terwijl in de uitspraak v en z gehoord worden. Bij deze verledentijdvormen wordt dus noch de onderliggende, noch de fonetische vorm gespeld. Dit verschilt met verledentijdsvormen als tob-de, brand-de, en zaag-de waar de spelling als eindklank van de stam een stemhebbende obstruent weergeeft, die zowel in de onderliggende als in de fonetische vorm aanwezig is.
Het voorbeeld brandde laat zien dat de spelling van werkwoordsvormen ook abstraheert van het effect van een andere verplichte fonologische regel van het Nederlands, Degeminatie. Maar dat is niet te zien aan het eind van een woord, want we schrijven bijvoorbeeld gebrand met een enkele d aan het eind, vanwege de regel van de grafotaxis die een reeks van identieke medeklinkerletters binnen een lettergreep verbiedt.
Het suffix -d van het voltooid deelwoord wordt gespeld in zijn onderliggende vorm d, zonder dat het effect van Finale verscherping is verdisconteerd, precies zoals bij alveolaire plofklanken in het algemeen.Een uitzondering vormt de spelling van het voltooid deelwoord geweest van het werkwoord wezen, dat fungeert als het voltooid deelwoord van het werkwoord zijn. Hier zouden we de spelvorm geweesd verwachten. Deze afwijking komt mogelijk door het feit dat dit voltooid deelwoord niet gebruikt wordt in een verbogen vorm, als attributief adjectief, waarin een d hoorbaar zou zijn geweest.
Tabel 4. De spelling van voltooide deelwoorden
onderliggende vorm fonetische vorm orthografische vorm
ɣə-tɔb-d ɣətɔpt getobd
ɣə-brɑnd-d ɣəbrɑnt gebrand
ɣə-zaɣ-d ɣəzaxt gezaagd
bə-lov-d bəloft beloofd
vər-baz-d vərbast verbaasd
De regel van analogie heeft implicaties voor de spelling van werkwoordsvormen. De 2e en 3e persoon enkelvoud van werkwoorden wordt gevormd door een suffix -t toe te voegen aan de werkwoordstam. Deze t is niet afzonderlijk hoorbaar als de werkwoordstam uitgaat op een d of t. Wel wordt deze weergegeven in de spelling als de stam van het werkwoord uitgaat op een d:
Tabel 5. De spelling van werkwoordsvormen 2e en 3e persoon enkelvoud
onderliggende vorm fonetische vorm orthografische vorm
tɔb-t tɔpt tobt
et-t et eet
brɑnd-t brɑnt brandt
rov-t roft rooft
kiz-t kist kiest
zaɣ-t zaxt zaagt
De tweede t van de onderliggende vorm et-t wordt niet weergegeven in de spelling eet op grond van de grafotactische regel dat een dubbele medeklinkerletter niet mag voorkomen binnen een lettergreep. In de werkwoordsvorm brandt kan de -t van het suffix wel worden weergegeven omdat dt geen lettergeminaat is.
Het verschil in spelling tussen de verledentijdsvorm verbrandde en het verbogen voltooid-deelwoord verbrande die fonetisch identiek zijn (vərbrɑndə), laat zien dat het beginsel van vormovereenkomst niet altijd kan worden vertaald als ‘Spel de onderliggende vorm van een woord’. Immers, de onderliggende vorm van het verbogen voltooid deelwoord is vər-brɑnd-d-ə. De reeks dd wordt fonetisch een enkele d, en deze vereenvoudiging wordt hier in de spelling verbrande weergegeven, anders dan bij de verledentijdsvorm verbrandde met de onderliggende vorm vər-brɑnd-də. Het Beginsel van vormovereenkomst is hier zo toegepast dat de spelvorm van het verbogen voltooid deelwoord verbrande moet zijn vanwege de spelvorm verbrand van het niet verbogen voltooid deelwoord.
De tragedie der werkwoordsvormen
Verdieping
De tragedie der werkwoordsvormen
De toepassing van het beginsel van vormovereenkomst en de regel van analogie is voor veel taalgebruikers een bron van problemen bij de spelling van werkwoordsvormen, met name de keuze tussen d, t of dt aan het eind van een werkwoordsvorm, en de keuze tussen t of tt en d of dd binnen een werkwoordsvorm. Van der Velde (1956) sprak dan ook van de 'tragedie der werkwoordsvormen'. Deze problematiek heeft geleid tot een grote hoeveelheid literatuur over de didactiek van de werkwoordspelling, en daarnaast tot discussie over de noodzaak of wenselijkheid van vereenvoudiging van het spellingsysteem.
Zie Booij et al. (1979), Assink & Verhoeven (1985), Zuidema (1988), Bennis et al. (1991).
Een overzicht van voorstellen voor de didactiek van de werkwoordspelling wordt gegeven in Bakker-Peters et al. (2017).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij september 2020
    Interessante links