Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
20.10.2.3.i De 'richtingsbepaling-waarheen?'
Verder lezen
1
De richtingsbepaling geeft antwoord op de vraag 'waarheen?' (waaronder ook begrepen: 'waardoorheen?' en 'waarlangs?').
Syntactisch is de richtingsbepaling te beschouwen als een complement bij het werkwoord, wat de hierboven besproken bepaling van plaats niet is. Sommige werkwoorden, zoals zich begeven hebben verplicht een richtingsbepaling bij zich (zie(20.10.2.1, sectie 2) evenals [30.3.2.3]).
2
Ter uitdrukking van een richtingsbepaling kunnen de volgende taalelementen gebruikt worden.
  1. Voorzetselconstituenten;
    De voornaamste voorzetsels die hier voorkomen, zijn:
    • de voorzetsels in engere zin aan, door, in, langs, naar, om, op, over, rond, tot (aan), via, voorbij;
    • de achtergeplaatste voorzetsels af, door, in, langs, om, op, over, rond, uit, voorbij;
    • de voorzetselcombinaties achter...aan, achter...om, boven...uit, buiten...om, door...heen, langs...heen, met...mee, naar...toe, om...heen, onder...door, onder...langs, op....aan, op...af, op...toe, over...heen, tegen...aan, tegen...in, tegen...op, tot...(aan)...toe, tussen...door, voor...langs, voor...om.
    Voor het voorzetsel te, dat in beperkte mate gebruikt wordt, zie [9.3.2].
    Voorbeelden zijn:
    1Ze is al vroeg naar huis gegaan.
    2Via Maldegem fietsten we naar Gent.
    3De hobbits liepen tot het punt waar de rivier zich splitste.
    4Alle passagiers gingen aan boord.
    5We varen al lang niet meer op Indië.
    6We reden het bos in.
    7Ze trokken de bergen over.
    8Je hoeft niet het hele park door te rennen.
    9Loop toch niet zo hard de trap af.
    10De soldaten kwamen naar het schip toe.
    11We gingen weer op huis aan.
    12De kinderen slopen tussen de rijen door.
  2. Voornaamwoordelijke bijwoorden met de onder [a] genoemde voorzetsels of met heen;
    Voorbeelden zijn:
    13Het onderwerp van de lezing trekt me niet aan; ik wil er niet heen.
    14Het land waarheen hij op weg was, stond op geen enkele kaart.
    15Waar ga je naartoe?
    16We hoorden een knal: wij meteen erop af natuurlijk!
  3. Een betrekkelijke bijzin ingeleid door een voornaamwoordelijk bijwoord, met ingesloten antecedent, bijv.:
    17Ik ga waarheen jij gaat.
  4. Een beperkt aantal afleidingen op -waarts (zie(12.5.2.6)), bijv.:
    18We keerden weer huiswaarts.
    19Toen we stroomafwaarts gingen, vonden we een doorwaadbare plaats.
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Voor het al dan niet regionale gebruik van (naar) binnen, (naar) buiten en dergelijke, zie men [12.2.2.2/ii], Opmerkingen 3, 5 en 6.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links