Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.4.8.11 Het gebruik van de werkwoordstijden in indirecte en semi-directe rede
Verder lezen
1
Een zin als 1a drukt uit dat het 'zeggen' vóór het spreekmoment plaatsvond, maar dat het 'mooi haar hebben' samenvalt met het spreekmoment. In een zin als 1b zou het imperfectum had, op grond van wat in de vorige subparagrafen uiteengezet is, moeten betekenen dat het haar van de bedoelde persoon in het verleden mooi was, maar dit op het spreekmoment niet meer is.
1aIk zei daarnet dat ze mooi haar heeft.
bIk zei daarnet dat ze mooi haar had.
Dit hoeft echter niet het geval te zijn. Zin 1b, waarin een bijzin in de indirecte rede voorkomt, kan in betekenis zowel overeenkomen met 2a als met 2b, waarin de bijzinnen in de directe rede staan:
2aIk zei daarnet: "Ze heeft mooi haar".
bIk zei daarnet: "Ze had mooi haar".
Zin 1a correspondeert uitsluitend met 2a.
Als in een rompzin een werkwoordstijd wordt gebruikt die de werking vóór het spreekmoment situeert, kan in een daarvan afhankelijke bijzin in de indirecte rede eenzelfde werkwoordstijd gebruikt worden, ongeacht of de in de bijzin uitgedrukte werking vóór (zie het zojuist beschreven geval), op (zie bijv. 4b en 6b) of na (zie verderop) het spreekmoment ligt. (Dit wordt in de grammatica wel de 'consecutio temporum' genoemd.) Vergelijk de volgende voorbeelden (met directe rede in de oneven en indirecte rede in de even nummers):
3Ze heeft alleen maar gezegd: "Koos heeft zo'n grote neus".
4aZe heeft alleen maar gezegd dat Koos zo'n grote neus heeft.
bZe heeft alleen maar gezegd dat Koos zo'n grote neus had.
5Een uur geleden constateerde ze pas: Koos is vandaag met verlof.
6aEen uur geleden constateerde ze pas dat Koos vandaag met verlof is.
bEen uur geleden constateerde ze pas dat Koos vandaag met verlof was.
Kan de werking uit de afhankelijke zin alleen vóór het spreekmoment liggen, dan is een werkwoordstijd die dat uitdrukt verplicht, zie bijv. 8a/b:
7Een uur geleden heeft ze geconstateerd: Koos is er op dit moment niet.
8aEen uur geleden heeft ze geconstateerd dat Koos er op dat moment niet is.uitgesloten
bEen uur geleden heeft ze geconstateerd dat Koos er op dat moment niet was.
Als in de bijzin de toekomstigheid van de werking wordt uitgedrukt (door futurum, presens of 'gaan + infinitief'), dan geldt het volgende.
Wordt in de bijzin het presens van de persoonsvorm gebruikt, dan wil dat zeggen dat de werking als toekomstig gezien wordt ten opzichte van het spreekmoment. De werking is op het spreekmoment dus nog niet verricht. Met de symbolen w, s en r [2.4.8.2/i] is dit als volgt weer te geven:
r - s - w
Wordt in de bijzin het imperfectum van de persoonsvorm gebruikt, dan wordt de daarin genoemde werking als toekomstig gezien ten opzichte van het moment waarop de in de bijzin uitgedrukte gedachte werd uitgesproken (niet gelijk aan het spreekmoment). De werking is dus op het spreekmoment al wel óf nog niet verricht. Met symbolen weergegeven:
r - w - s óf r - s - w
In de onderstaande voorbeelden beantwoorden de (a) -zinnen aan de configuratie r - s - w, de (b) -zinnen aan de configuraties r - w - s óf r - s - w:
9aHij zei me dat hij het nog zal doen.
bHij zei me dat hij het nog zou doen.
10aHij hoopte dat het gaat vriezen.
bHij hoopte dat het ging vriezen.
11aZe heeft gezegd dat ze me nog komt opzoeken.
bZe heeft gezegd dat ze me nog kwam opzoeken.
2
Het primair modaal gebruikte imperfectum en plusquamperfectum verdienen bijzondere vermelding. Bij dit gebruik (zie voor de behandeling [28.3.3]) kunnen we ervan uitgaan dat de in de bijzin uitgedrukte werking in het verleden gesitueerd is en vandaaruit niet-werkelijkheidskarakter heeft gekregen. De werking kan dus geacht worden niet op het spreekmoment plaats te vinden, zodat het presens in de bijzin onmogelijk is. Tegen iemand die niet ziek blijkt te zijn, kan alleen zin 12a gezegd worden, niet 12b:
12aIk dacht dat je ziek was.
bIk dacht dat je ziek bent.uitgesloten
Vergelijk hiermee het niet-modale gebruik in 13 (gezegd tegen een zieke):
13aIk dacht er even niet aan dat je ziek was.
bIk dacht er even niet aan dat je ziek bent.
Andere voorbeelden:
14aKom je niet? En je zei dat je kwam!
bKom je niet? En je zei dat je komt!uitgesloten
15aKrijgen we niks? En je had beloofd dat je honderd gulden zou geven.
bKrijgen we niks? En je had beloofd dat je honderd gulden zult geven.uitgesloten
Bij dit gebruik ('voorzichtige omschrijving' [28.3.3.7]) hebben we in de rompzin te maken met een imperfectum of plusquamperfectum dat de werking (van de rompzin) op het spreekmoment situeert, dus niet daarvóór, wat in deze subparagraaf aan de orde is. De situering van de werking in de bijzin op, vóór of na het spreekmoment moet dus uitgedrukt kunnen worden door middel van de daarvoor gebruikelijke werkwoordstijden, zoals wanneer in de rompzin een presensvorm wordt gebruikt. Dit is dan ook het geval; vergelijk de volgende zinnen (waarbij verondersteld is dat de nieuwe gebruiksaanwijzing op het spreekmoment ter beschikking staat, de oude niet meer):
16Ik denk dat de nieuwe gebruiksaanwijzing duidelijker is.
17Ik denk dat de oude gebruiksaanwijzing duidelijker was.
18Ik dacht dat de nieuwe gebruiksaanwijzing duidelijker is.
19Ik dacht dat de oude gebruiksaanwijzing duidelijker was.
Omdat de werkwoordstijd in de rompzin van de ( b ) -zinnen echter wel de vorm heeft van een imperfectum, geldt hier hetzelfde als voor het niet-modale gebruik, waardoor in plaats van 18 ook 20 mogelijk - en waarschijnlijk gebruikelijker - is:
20Ik dacht dat de nieuwe gebruiksaanwijzing duidelijker was.
Andere voorbeelden:
21aIk had graag dat je vanavond eens thuis blijft.
bIk had graag dat je vanavond eens thuis bleef.
22aIk had zo gedacht dat je daar wel tevreden mee zult zijn.
bIk had zo gedacht dat je daar wel tevreden mee zou zijn.
3
Voor bijzinnen in de semi-directe rede geldt hetzelfde als voor die in de indirecte rede. Twee voorbeelden:
23aOma heeft opgebeld. Als we komen krijgen we een gebakje, zei ze.
bOma heeft opgebeld. Als we kwamen kregen we een gebakje, zei ze.
24aA: Heeft hij nog iets over haar gezegd? B: Ze heeft mooi haar. Dat was alles.
bA: Heeft hij nog iets over haar gezegd? B: Ze had mooi haar. Dat was alles.
4
Soms is het gebruik van het imperfectum voor een werking die op of na het spreekmoment ligt, te verklaren uit het in deze subparagraaf beschreven verschijnsel, doordat weglating van een rompzin kan worden aangenomen. Enkele voorbeelden:
25We waren toch alleen maar goede vrienden. (= 'We hebben toch tegen elkaar gezegd dat we alleen maar goede vrienden waren')
26Hoe laat was die vergadering ook weer? (= 'Hoe laat zei jij ook weer dat die vergadering was?')
27(Vraag gericht tot iemand van wie men de naam niet goed verstaan heeft of niet meer weet: )
Wat was uw naam? (= 'Wat was uw naam, zei u?')
28Zou jij daar ook heen gaan? (= 'Zei jij dat je daar ook heen zou gaan?')
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links