Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1.4.2 Variatie in mate van openheid en mate van retractie van middenklinkers
De uitspraak van middenklinkers in het Nederlands kan variëren. De uitspraak van de ongespannen klinker ɔ varieert van half gesloten (ʊ) tot half open (ɔ), bijvoorbeeld in dom vs. dop. Verder kunnen de middenklinkers o, e en ø meer naar achteren en meer in de richting van hun ongespannen tegenhangers ɔ, ɪ, en ʏ gerealiseerd worden.
Verder lezen
De variatie van ɔ
Schouten (1981) voerde een aantal experimenten uit naar de productie en perceptie van de ɔ bij een beperkt aantal proefpersonen. Geen van deze experimenten liet zien dat sprekers een stabiele tweedeling maken tussen de ʊ en de ɔ naargelang van de erop volgende medeklinker. Schouten (1981: 546) besluit dan ook dat de “oppositie tussen een half-open en een half-gesloten uitspraak van de letter o in gesloten lettergrepen niet functioneel is in het ABN” en enkel nog een “overblijfsel van een dialectachtergrond” is. Uit zijn experimenten blijkt wel dat men het eens is over de invloed van nasale medeklinkers: voor n, m, ŋ verschijnt de half-gesloten allofoon ʊ (bijv. zon zʊn , dom dʊm , ongeveer ʊŋɣəver ). De variatie van ɔ voor een nasaal is een geval van allofonische variatie, aangezien de context bepaalt welke allofoon er verschijnt. De variatie in de uitspraak van de ɔ in andere contexten, die bij sommige sprekers aanwezig is, is echter geen uiting van allofonische variatie, maar veeleer van individuele variatie en coarticulatie.
Eén of twee fonemen?
Verdieping
Eén of twee fonemen?
In oudere publicaties zoals Eijkman (1937) werden in de foneeminventaris van het Nederlands twee afzonderlijke ɔ-fonemen onderscheiden: “de ‘half-gesloten ongespannen geronde achterklinker’ uit dom en bot en de ‘half-open ongespannen geronde achterklinker’ uit pot en bod".
Schouten (1981: 537).
Al vroeg werd echter opgemerkt dat dit onderscheid regionaal bepaald is en dat sommige Nederlanders, bijvoorbeeld die uit Zuid-Holland, maar één realisatie van de ɔ kennen.
Van den Berg (1958).
Het lijkt erop dat vooral sprekers uit het noorden en oosten van Nederland dit onderscheid maken.
Uit een akoestische studie naar de uitspraak van klinkers in Nederland en België blijkt dat de ɔ in het Belgisch Nederlands hoe dan ook hoger in de mond (geslotener) wordt gerealiseerd; zie Adank et al. (1999).
Variatie van e, o, en ø
De gespannen middenklinkers e, o, en ø vertonen bij sommige sprekers van het Nederlands – met name sprekers uit de Randstad – allofonische variatie: voor r en voor een donkere /l/ treedt er laxing op van deze klinkers. Dit wil zeggen dat e, o, en ø meer in de richting van hun ongespannen tegenhanger worden gerealiseerd, dus meer als respectievelijk ɪː , ɔː en ʏː . Het gevolg is dat de contrasten in woordparen als keer vs. kir, koor vs. Cor, en beul vs. bul bijna geneutraliseerd worden.
Van Oostendorp (2000: 85-86), Van der Torre (2003: 22), Botma et al. (2012).
Botma et al. (2012: 275) beargumenteren dat deze neutralisatie in een context voor donkere l eerder neerkomt op retractie dan op ‘laxing’ van de middenklinkers. Ze tonen aan dat zowel de gespannen als ongespannen middenklinkers meer naar achteren in de mond gerealiseerd worden voorafgaand aan een donkere l.
Akoestisch manifesteert deze retractie zich als een lagere tweede formant (F2); Botma et al. (2012: 292).
Verder blijkt er ook een (bijna-) neutralisatie te zijn van het lengteverschil tussen gespannen en ongespannen middenklinkers voor donkere l.
Er is een soortgelijk effect van r op de middenvocalen. Van Oostendorp (2000: 85-86) suggereert dat dit effect zich zowel voordoet als r tot dezelfde syllabe behoort (bijv. beer bɪ:r), als wanneer r in de aanzet van de volgende syllabe staat (bijv. kerel kɪ:.rəl).
Literatuur
Eijkman (1937), Van den Berg (1958), ’t Hart (1969), Schouten (1981), Trommelen & Zonneveld (1989), Adank et al. (1999), Collins & Mees (1984), Van Oostendorp (2000), Botma et al. (2012).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020
    Interessante links