Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.7.2.2.1 Voorzetselconstituenten
Verder lezen
1
Vrijwel alle zinsdelen in de vorm van een voorzetselconstituent kunnen in principe in drie posities in de eigenlijke zin staan, namelijk vóór de eerste pool, in het middenstuk, of achter de tweede pool. In de volgende voorbeelden zijn dat respectievelijk de (a)-, (b)- en (c)-zinnen:
1aTegen Kaatje |kun| je zoiets wel |zeggen. |
bZoiets |kun| je tegen Kaatje wel |zeggen. |
cZoiets |kun| je wel |zeggen| tegen Kaatje.
2aIn Frankrijk |wordt| veel lekkere wijn |geproduceerd.|
bEr |wordt| in Frankrijk veel lekkere wijn |geproduceerd. |
cEr |wordt| veel lekkere wijn |geproduceerd| in Frankrijk.
Op het eerste gezicht lijkt er sprake te zijn van een min of meer vrije plaatsing, maar met name plaatsing van een voorzetselconstituent op de laatste zinsplaats kan niet altijd zonder meer als een variant van plaatsing in het middenstuk beschouwd worden (zie verderop). Zoals in [21·7·1·2] in het algemeen al aangegeven is, kunnen er diverse redenen zijn om een voorzetselconstituent achter de tweede pool te plaatsen.
2
Wanneer een voorzetselconstituent een relatief grote communicatieve of informatieve waarde heeft, kan men hem volgens het links-rechts-principe zo ver mogelijk rechts plaatsen. In een geval als het volgende betekent dat achteropplaatsing. De bepaling van reden kan immers in het middenstuk niet na de richtingsbepaling komen omdat deze als inherent zinsdeel fungeert. Er kan een informatief verschil optreden tussen bijv. 3a en 3b:
3aHij |moet| om gezondheidsredenen naar Zwitserland |gaan. |
bHij |moet| naar Zwitserland |gaan| om gezondheidsredenen. |
In zin 3a is de kern van de informatie bij neutrale accentuering gelegen in het feit dat de met hij aangeduide persoon niet naar de Côte d'Azur of naar Tunesië, maar naar Zwitserland moet. In 3b daarentegen staat de reden van de reis informatief in het middelpunt: de hij -persoon moet niet voor zaken of voor een vakantie, maar wegens zijn gezondheid naar het buitenland. Een andere mogelijkheid om hetzelfde uit te drukken is dat men het informatief belangrijke element meer naar links plaatst (de volgorde van 3a), en het door een accent als informatief belangrijk karakteriseert. We hebben dan echter met een zin te maken die van de strikte links-rechts-ordening afwijkt.
Ook om de voorzetselconstituent een speciale nadruk te geven, bijvoorbeeld bij contrast, kan men hem achter de tweede pool plaatsen (zie 4b). Met dezelfde accentuering is ook plaatsing vóór de tweede pool mogelijk, zoals in 4a. Anders dan bij 3a en 3b is er in dit geval geen verschil in informatieve waarde. Vergelijk:
4aDit |is| enkel voor kínderen |bedoeld| (, niet voor grote kerels zoals jij.)
bDit |is| enkel |bedoeld| voor kínderen, (niet voor grote kerels zoals jij.)
3
Achteropplaatsing kan verder het tegenovergestelde effect hebben van wat in 2 beschreven wordt: de voorzetselconstituent kan als een bijkomstigheid gepresenteerd worden. Het gaat vaak om plaats- of tijdsaanduidingen. Een ander element, dat in het middenstuk staat, is informatief van groter belang. Voorbeelden zijn:
5Er |schijnt| weer een spectaculair ongeluk |gebeurd te zijn| op de E17.
6Ze |zijn| drie keer naar Groningen |gereden| van de week.
Op deze manier kan verder soms beter tot uitdrukking gebracht worden dat het werkwoord in de tweede pool zelf informatief het belangrijkst is. Vergelijk bijv.:
7aWe |willen| morgen naar Parijs |vliegen. |
bWe |willen| morgen |vliegen| naar Parijs.
Zin 7a kan twee interpretaties krijgen: met een accent op Parijs is de kern van de mededeling 'naar Parijs vliegen'. Ligt het accent op vliegen, dan is de werking zelf de kern van de informatie, bijv. om een contrast aan te geven met een andere manier van reizen, namelijk 'met de trein gaan'. Alleen in dit tweede geval is de volgorde van 7b mogelijk.
Zie ook verderop, sub 5.
4
Een voorzetselconstituent kan ook achteropgeplaatst worden om de afstand tussen de beide polen van de zin kleiner te maken, anders gezegd om de 'tang' te verlichten. Als de afstand tussen de elementen van de zogenaamde tangconstructie te groot wordt, kan de zin aan verstaanbaarheid en elegantie verliezen. Vooral in de gesproken taal is men dan geneigd om de tangconstructie te doorbreken door voorzetselconstituenten achter de tweede pool (d.i. het tweede tangelement) te zetten. Zo zal men bijv. de voorkeur geven aan 8b boven 8a:
8aHij |had| gelukkig uiteindelijk toch nog met veel moeite in Valladolid een flatje op de kop |kunnen tikken.|
bHij |had| gelukkig uiteindelijk toch nog met veel moeite een flatje op de kop |kunnen tikken| in Valladolid.
Ook de uitgebreidheid van de voorzetselconstituent zelf kan het middenstuk lang maken. In gesproken taal zal men daarom in plaats van 9a heel gemakkelijk 9b gebruiken:
9aZe |zou| veel liever in een van die leuke kleine dorpsschooltjes les|geven. |
bZe |zou| veel liever les|geven| in een van die leuke kleine dorpsschooltjes.
5
Voorzetselconstituenten die als inherent verbonden zinsdeel dienst doen, bijv. als deel van een uitdrukking, kunnen niet achter de tweede pool staan. Ze komen verplicht vlak vóór die tweede pool (eventueel samen met een voorzetselbijwoord); zie [21·5·2·1]. Een enkele keer kan zo'n voorzetselconstituent wel op de laatste zinsplaats komen, maar dan verliest hij zijn idiomatische betekenis en is de combinatie van het werkwoord en de erop volgende voorzetselconstituent hooguit letterlijk te interpreteren. Vergelijk bijv.:
10a(Ze merkte) |dat| de hoogleraar er met z'n pet naar |gooide.| (uitdrukking)
b(Ze merkte) |dat| de hoogleraar ernaar |gooide| met z'n pet. (letterlijk)
Een noodzakelijke plaatsbepaling bij zijn ('zich bevinden') is uitgesloten van de laatste zinsplaats:
11a(Ik hoor) |dat| jij morgen in de stad |bent!?|
b(Ik hoor) |dat| jij morgen |bent| in de stad!?uitgesloten
Voor voorzetselconstituenten met tot als bepaling van gesteldheid zie men sub ii.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links