Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.7.2.1 Afhankelijke zinnen
Verder lezen
1
Als algemene regel geldt dat afhankelijke zinnen bij voorkeur niet tussen de twee polen, dus niet in het middenstuk staan. Soms is het middenstuk zelfs uitgesloten. (Vergelijk voor een en ander ook [21·3·1·2].) De alternatieve plaatsen zijn dan, behalve de aan- en uitloop, de eerste en de laatste zinsplaats. Omdat achteropplaatsing soms de enige mogelijkheid is, wordt de laatste zinsplaats in wat volgt als basis genomen. Bij de respectieve gevallen wordt telkens de eventuele alternatieve plaats vermeld.
Of een afhankelijke zin vóór de eerste pool of achter de tweede pool staat, met andere woorden of de rompzin op de afhankelijke zin volgt of eraan voorafgaat, hangt samen met de informatieve geleding van de hele uiting. Wat de taalgebruiker als de kern van zijn mededeling beschouwt, staat bij voorkeur achterop (vergelijk echter ook met 2). Die informatieve kern kan in de rompzin gelegen zijn of in de afhankelijke zin. Meestal is het zo dat het eerste gedeelte van de samengestelde zin een kader aangeeft waarbinnen de toestand of de gebeurtenis die in het tweede gedeelte van de samengestelde zin meegedeeld wordt, gesitueerd moet worden (zie voorbeeld 1), ofwel dat het tweede deel van de samengestelde zin als een nadere verklaring of precisering fungeert van wat in het eerste gedeelte meegedeeld wordt (zie 2):
1Toen jullie trouwden |woonde| je zus nog in Nijmegen | | (, niet?)
2Ze |wilden| toch maar hier |blijven overnachten| omdat het veel te laat was om nog naar het Noorden door te reizen.
Vergelijk nog de twee volgende zinnen:
3Omdat Joost zich niet lekker voelde, |ging| hij wat vroeger naar huis | |.
4Joost |is| wat vroeger naar huis |gegaan| omdat hij zich niet lekker voelde.
In 3 ligt het informatieve zwaartepunt van de mededeling bij het feit dat Joost wat vroeger naar huis ging; de redengevende zin (omdat -zin) geeft de verklarende achtergrond waartegen dit feit geplaatst wordt. In zin 4 ligt de informatieve kern daarentegen veeleer bij de reden voor het vervroegde vertrek van Joost; de essentie van de mededeling is hier de verklaring zelf. Zin 4 past dus in een andere context dan zin 3.
In het algemeen kan gesteld worden dat tijdszinnen en conditionele zinnen vaak voorop staan. Ze scheppen namelijk vaak het kader waarbinnen de rest van de mededeling gesitueerd wordt (vergelijk [21·3·2·1/ii]).
2
De volgende categorieën afhankelijke zinnen staan altijd of in de regel achterop:
  1. Onderwerps- en voorwerpszinnen ingeleid door de onderschikkende voegwoorden dat of of; voorbeelden zijn:
    5Het meisje |is| er zich eindelijk bewust van |geworden| dat ze een dwaasheid begaan heeft.
    6Ik |heb| nooit goed |geweten| of hij dat wel meende.
    7Ans |wilde| niet toe|geven| dat ze gespiekt had.
    Bij een achteropgeplaatste onderwerpszin komt meestal het voorlopig onderwerp het voor (zie [20·2·2·4/i]):
    8Het |heeft| een grote indruk op mij |gemaakt| dat hij ondanks die tegenslag toch wou komen.
    Dat - en of-zinnen als onderwerp of voorwerp kunnen in bepaalde gevallen toch op de eerste zinsplaats staan, met name als het zwaartepunt van de meegedeelde informatie niet in de afhankelijke zin, maar in de rompzin gelegen is. Vergelijk bijvoorbeeld de volgende twee zinnen:
    9Ze |vermoedde| al enige tijd | | dat Jan gezakt was.
    10Dat Jan gezakt was |vermóedde| ze alleen maar | | (, zeker wist ze het niet.)
    In zin 9 is de dat -zin de informatieve kern van het geheel, in zin 10 is de inhoud van de persoonsvorm van de rompzin informatief het belangrijkste. Vermoedde wordt gecontrasteerd met de mededeling in de erop volgende nevengeschikte zin. In deze betekenis en met behoud van het accent op de persoonsvorm is echter ook mogelijk:
    11Ze |vermóedde| alleen maar | | dat Jan gezakt was (, zeker wist ze het niet.)
    In afwijking van het links-rechts-principe kan een dat- of of-zin ook op de eerste zinsplaats staan als hij juist het zwaartepunt van de informatie vormt, bijv. in een contrastieve context:
    12A: Wat zei je ook weer? Is Jan gezakt voor het examen of mag hij overgaan? B: Dat Jan gezákt is |heb| ik |gezegd.|
    Een andere mogelijke plaats voor een dat - of een of-zin als onderwerp of lijdend voorwerp is de aanloop. De afhankelijke zin krijgt dan een verwijswoord in de eigenlijke zin. Voorbeelden zijn:
    13Dat Steven dit niet op tijd geweten heeft, dat |is| wel duidelijk.
    14Of dit ooit nog goed komt, dat |betwijfel| ik.
    In de functie van voorzetselvoorwerp kunnen of - en dat-zinnen bij vooropplaatsing alleen maar in de aanloop staan. Vergelijk met zin 5:
    15Dat ze een dwaasheid begaan heeft, daar |is| het meisje zich eindelijk bewust van |geworden.|
    16Of Hugo dat beseft heeft, daar |twijfel| ik sterk aan.
    Zie verder [21·8·2·2].
  2. Andere types onderwerps- en voorwerpszinnen (vooral vraagwoordzinnen en beknopte bijzinnen met (om) te + infinitief);
    Voorbeelden met vraagwoordzinnen zijn:
    17|Heeft| Jos niet |gezegd| waar hij naartoe ging?
    18Hij |vroeg| zich af | | wie de ruit gebroken kon hebben.
    De afhankelijke zinnen die met een vragend element beginnen, hebben verder dezelfde mogelijkheden als de hierboven besproken dat - en of -zinnen. Voorbeelden met de voorwerpszin respectievelijk op de eerste zinsplaats en in de aanloop zijn:
    19Waar Frederik zit |weet| ik niet.
    20Wat daar precies mee bedoeld wordt, daar |zullen| we wel nooit achter |komen. |
    Een voorzetselvoorwerpszin zoals in 20 kan vooraan enkel in de aanloop voorkomen.
    Voorbeelden van beknopte bijzinnen met (om) te als onderwerps- of voorwerpszin op de laatste zinsplaats zijn respectievelijk:
    21Het |is| altijd zijn voorrecht |geweest| (om) weinig of geen belasting te betalen.
    22Lutgart |had| haar |beloofd| voortaan niet meer te zullen liegen.
    In de rompzin komt als voorlopig onderwerp het voor (zie [20·2·2·4/i]).
    Onderwerps- en voorwerpszinnen in de vorm van een als -zin - altijd gecombineerd met een voorlopig onderwerp of voorwerp (het) - zijn bijv.:
    23Het |is| toch maar niets | | als je zo moet werken.
    24Ze |zouden| het beslist jammer |vinden| als je ontslag neemt.
    Als zulke als-zinnen al vooraan voorkomen, dan kan dat alleen maar als aanloop, bijv.:
    25Als je dat voor me kon doen, dat |zou| erg fijn |zijn.|
  3. Bijzinnen van gevolg; deze hebben als enige plaatsmogelijkheid de laatste zinsplaats, bijv.:
    26De band van m'n fiets |was| lek |geraakt|, zodat ik te voet verder moest.
  4. Vergelijkende zinnen met als, alsof, (net) of, bijv.:
    27Waarom |stelt| die minister zich steeds aan | | als was hij de spil van de regering?
    28Je |moet| nu niet |doen| alsof je mij niet kent.
  5. Betrekkelijke bijzinnen die de hele rompzin als antecedent hebben (zie [5·8·5·5/i3] en [5·8·5·7/i]), zoals:
    29Een auto |botste| gisterochtend op een overweg tegen de trein Amsterdam-Den Helder | |, waardoor het verkeer enkele uren gestremd raakte.
    Vergelijk [21·3·1·2], [6].
3
Bij andere afhankelijke zinnen wisselt de plaatsing ten opzichte van de rompzin. Soms is er een sterke tendens tot achteropplaatsing, in sommige gevallen echter verdient vooropplaatsing de voorkeur, zonder dat precies aan te geven is wanneer. Het gaat om de volgende categorieën:
  1. Vergelijkende zinnen, ingeleid door het voegwoord zoals;
    Deze staan vooraan (op de eerste zinsplaats of in de aanloop) of achteraan (laatste zinsplaats of uitloop). Een plaats in het middenstuk is meestal uitgesloten (maar zie bijv. 30e). Vergelijk:
    30aZoals ik het je uitgelegd heb |moet| je het |doen.|
    bZoals ik het je uitgelegd heb, zo |moet| je het |doen.|
    cJe |moet| het |doen| zoals ik het je uitgelegd heb.
    dJe |moet| het zo |doen|, zoals ik het je uitgelegd heb.
    eJe |moet| het zoals ik het je uitgelegd heb |doen. |uitgesloten
    31a(Hou je maar precies aan de gebruiksaanwijzing.) Zoals het daar staat |moet| je het in elkaar |zetten.|
    b(Hou je maar precies aan de gebruiksaanwijzing.) Zoals het daar staat, zo |moet| je het in elkaar |zetten.|
    c(Hou je maar precies aan de gebruiksaanwijzing.) Je |moet| het in elkaar |zetten| zoals het daar staat.
    d(Hou je maar precies aan de gebruiksaanwijzing.) Je |moet| het zo in elkaar |zetten|, zoals het daar staat.
    e(Hou je maar precies aan de gebruiksaanwijzing.) Je |moet| het zoals het daar staat in elkaar |zetten.|
    32aZoals jij het voorstelt |is| het helemaal niet |gebeurd. |
    bHet |is| helemaal niet |gebeurd| zoals jij het voorstelt.
    cHet |is| zoals jij het voorstelt helemaal niet |gebeurd. |uitgesloten
    33a Zoals ik het me voorgesteld had |is| het bepaald niet |gegaan. |twijfelachtig
    bHet |is| bepaald niet |gegaan| zoals ik het me voorgesteld had.
    cHet |is| zoals ik het me voorgesteld had bepaald niet |gegaan. |uitgesloten
    34aZoals het klokje thuis tikt, |tikt| het nergens.
    bHet klokje |tikt| nergens | | zoals het thuis tikt.
    cHet klokje |tikt| zoals het thuis tikt nergens | |.uitgesloten
    35aZoals hij te werk gaat |moet| het wel |mislukken.|
    bHet |moet| wel |mislukken| zoals hij te werk gaat.
    cHet |moet| zoals hij te werk gaat wel |mislukken. |uitgesloten
    De zoals-zinnen uit de voorbeelden hierboven zijn te omschrijven met 'op de wijze waarop...' (beperkend). Deze zinnen moeten onderscheiden worden van gevallen waarin de zoals-zin niet zozeer een vergelijking uitdrukt, als wel een commentaar op (c.q. modaliteit ten opzichte van) wat in de rompzin wordt meegedeeld (uitbreidend; zie voor beide betekenissen [10·3·14·2/1b]). In die gevallen komt de zoals-zin vaak als een soort tussenzin voor in het middenstuk, in geschreven taal is hij afgescheiden door komma's. Wat dat betreft zijn ze te vergelijken met hetgeen- en wat -zinnen (maar zie Opmerking 1 hierna). Voorbeelden zijn:
    36aZoals ik al voorspelde |is| het toch nog mooi weer |geworden| gisteren.
    bHet |is| toch nog mooi weer |geworden| gisteren, zoals ik al voorspelde.
    cHet |is|, zoals ik al voorspelde, toch nog mooi weer |geworden| gisteren.
    37aZoals Bas hem had opgedragen |volgde| Snuf het spoor terug | |.
    bSnuf |volgde| het spoor terug | |, zoals Bas hem had opgedragen.
    cSnuf |volgde|, zoals Bas hem had opgedragen, het spoor terug | |.
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Een verschil met hetgeen- en wat -zinnen is dat deze laatste niet voorop kunnen staan, noch in de aanloop, noch op de eerste zinsplaats. Vergelijk:
    ia Wat/hetgeen me onwaarschijnlijk lijkt, Aldo Moro |zou| zonder meer vrij |worden gelaten.|uitgesloten
    b Wat/hetgeen me onwaarschijnlijk lijkt, |zou| Aldo Moro zonder meer vrij |worden gelaten.|uitgesloten
    cAldo Moro |zou| zonder meer vrij |worden gelaten|, wat/hetgeen me onwaarschijnlijk lijkt.
    dAldo Moro |zou|, wat/hetgeen me onwaarschijnlijk lijkt, zonder meer vrij |worden gelaten.|
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    De zinnen 37a en 37b zijn voor twee interpretaties vatbaar (beperkend en uitbreidend). In ieder geval is in 37b (als de betekenis uitbreidend is), net als in 37c, vervanging van zoals door bijv. wat mogelijk. Dit is bij de zinnen 30 t.e.m. 35 uitgesloten.
  2. Tijdszinnen en voorwaardelijke bijzinnen;
    Deze staan over het algemeen iets gemakkelijker in het middenstuk dan de andere types (redengevende zinnen, toegevende zinnen, enz.), dit in tegenstelling tot het algemene principe dat de bijzin ofwel voorop ofwel achterop staat. Voorbeelden zijn:
    38aToen ze allemaal weg waren |had| hij nog gauw even af|gewassen. |
    bHij |had| nog gauw even af|gewassen| toen ze allemaal weg waren.
    cHij |had| toen ze allemaal weg waren, nog gauw even af|gewassen. |
    39aAls hij tijd heeft |zal| Jan het werk meteen af|maken. |
    bJan |zal| het werk meteen af|maken| als hij tijd heeft.
    cJan |zal| het werk als hij tijd heeft meteen af|maken.|
    Iets minder gemakkelijk is plaatsing in het middenstuk in gevallen als:
    40aOmdat ze toch allemaal vroeg weg waren |had| hij gauw nog even af|gewassen. |
    bHij |had| gauw nog even af|gewassen| omdat ze toch allemaal vroeg weg waren.
    cHij |had| omdat ze toch allemaal vroeg weg waren, gauw nog even af|gewassen. |
    41aHoewel het al erg laat was |had| hij nog gauw even af|gewassen.|
    bHij |had| nog gauw even af|gewassen| hoewel het al erg laat was.
    cHij |had| hoewel het al erg laat was, nog gauw even af|gewassen. |
4
Een aparte categorie vormen of -zinnen als deelzin uit de zogenaamde balansschikking (zie [26·7]). Deze of-zinnen staan verplicht achter de tweede pool van de rompzin, bijv.:
42(Hij zei) |dat| het niet veel |gescheeld had| of de auto was ontploft.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links