Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
27.5.1 Algemene regels voor samentrekking op zinsniveau bij nevenschikkingen
Verder lezen
  1. De gemeenschappelijke delen moeten in het algemeen identiek zijn naar vorm ([a]), betekenis ([b]) en grammaticale functie ([c]).
    1. In de volgende zinnen hebben de gecursiveerde delen niet dezelfde vorm en daardoor is samentrekking onmogelijk:
      1Dat heeft hij nooit gedaan en dat zal hij ook nooit doen.
      2Hij leende een vliegtuig waarmee hij het luchtruim koos en waarvan hij de brokken op een weiland achterliet.
      Een belangrijke uitzondering op de regel dat de samen te trekken delen naar de vorm gelijk moeten zijn, is dat persoonsvormen ook samengetrokken kunnen worden als ze alleen in getal en/of persoon verschillen. Hetzelfde geldt voor substantieven met verschillend getal in gevallen als 5 (zie daarvoor verder(27.5.2.2.ii.6, [1])). Voorbeelden:
      3Jullie komen dus meteen en ik (-) morgen pas.
      4Theo is vaak weg, maar ik (-) heel zelden (-).
      5Jan heeft vier nieuwe boeken en ik (-) één (-).
    2. Als de gemeenschappelijke delen een verschillende betekenis hebben, levert samentrekking - die dan wel eens schertsenderwijze wordt toegepast - ongrammaticale zinnen als de volgende op:
      6Hier zet men koffie en over de Leie.uitgesloten
      7Hij bracht zijn meisje naar huis en de nacht verder in zoete dromen door.uitgesloten
      8De dominee nam zijn hoed en afscheid van de gasten.uitgesloten
      9De kindermeid hield de jongste op haar arm en een oogje op de anderen.uitgesloten
      Als de gemeenschappelijke delen wel dezelfde betekenis hebben, maar het resultaat van samentrekking is niet in overeenstemming met de betekenisstructuur van de niet samengetrokken taaluiting, dan is samentrekking ook ongeoorloofd. Vergelijken we de zinnen 10 en 11:
      10Vader zal zeggen dat Bert de rozen moet snoeien of dat Bert de tulpen moet planten.
      11Vader zal zeggen dat Bert de rozen moet snoeien of de tulpen planten.
      Volgens zin 10 kan vader twee dingen zeggen, namelijk: "Bert moet de rozen snoeien" of "Bert moet de tulpen planten". Volgens zin 11 zegt vader één ding, namelijk: " Bert moet de rozen snoeien of de tulpen planten". Dit verschil in structuur en betekenis maakt samentrekking van 10 tot 11 onmogelijk.
    3. Ook elementen die naar vorm en betekenis identiek zijn, maar een verschillende grammaticale functie vervullen, mogen niet samengetrokken worden. Voorbeelden als 12a, 13, 14 en 15a, waar het weggelaten element in het tweede lid een andere zinsdeelfunctie heeft dan in het eerste, moeten daarom als tegen de regels beschouwd worden, al komen dergelijke zinnen in het taalgebruik nogal eens voor (hetzelfde geldt voor de voorbeelden 16 t/m 18. Herhaling van de gemeenschappelijke delen kan hier vermeden worden door het gebruik van voornaamwoorden, bijv. in 12b en 15b
      12aEen harde bal van de Braziliaan stompte de keeper het veld in, maar (-) kwam op het hoofd van een andere tegenstander terecht.uitgesloten
      bEen harde bal van de Braziliaan stompte de keeper het veld in, maar hij kwam op het hoofd van een andere tegenstander terecht.
      13Het woord vooraf leest hij niet en (-) interesseert hem ook niet.uitgesloten
      14Ik heb hem laten komen en (-) een berisping gegeven.uitgesloten
      15aDie man wou ik een boek verkopen maar (-) kon niet betalen.uitgesloten
      bDie man wou ik een boek verkopen, maar hij kon niet betalen.
      In de volgende zinnen is samentrekking ongeoorloofd omdat het werkwoord zijn in het eerste lid als koppelwerkwoord en in het tweede lid respectievelijk als zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord gebruikt wordt:
      16Goddank dat wij matrozen (-) en zelden maar aan wal zijn.uitgesloten
      17Hij is erg moe, maar (-) nog niet naar bed gegaan.uitgesloten
      Een geval waarin zijn in beide leden hulpwerkwoord is, maar in het eerste lid in een passief, in het tweede in een actief perfectum gebruikt wordt, is het volgende:
      18De nieuwe functionaris is per 1 november benoemd en de oude (-) op 18 oktober vertrokken.uitgesloten
      Als het ene lid een actieve, het andere een passieve zin is, kan een gemeenschappelijk onderwerp wel worden samengetrokken. Voorbeelden:
      19Bruno vertrok om 4 uur en (-) werd om 4.15 uur overvallen.
      20Dit is het verhaal van Jona, die door God gezonden werd om de stad Niniveh tot bekering op te roepen, maar (-) zich daaraan trachtte te onttrekken door de vlucht over zee.
  2. In nevenschikkingen met reeksvormers is voorwaartse samentrekking veelal verplicht of heeft die althans de voorkeur. Daarbij kan of moet het eerste element van de reeksvormer achter de gemeenschappelijke delen in het eerste lid geplaatst worden.
    Dit is in het algemeen behandeld in(24.2.3, kenmerk 4[3]) (vergelijk(27.4.1, [4])) en voor wat de afzonderlijke reeksvormers betreft in de subparagrafen [25.7.2.2], [25.8.2.2], [25.9.2.2], [25.10.2.3], [25.11.2.3] en [25.12.2.3]. We volstaan hier met een tweetal voorbeelden:
    21Frits wil en voor Mieke de rozen snoeien en (-) voor Jolien de tulpen planten.
    22Hij zei dat ik ofwel huursubsidie kon krijgen ofwel (-) voor een goedkope woning in aanmerking kon komen.
  3. Wat de plaats van het weg te laten deel betreft, heeft de achterwaartse samentrekking beperkingen die de voorwaartse niet heeft.
    1. Bij achterwaartse samentrekking moet het weg te laten deel onmiddellijk voorafgaan aan het voegwoord of het tweede (derde enz.) element van de reeksvormer. Worden er meerdere delen weggelaten, dan moeten die allemaal op elkaar aansluiten en mag er achter de weggelaten reeks geen enkel ander woord van het eerste lid staan.
      Voorbeelden:
      23Dat hok moet (-) (-) en die schuur mag je afbreken.
      24Het gewest Noord heeft Boomsma (-) (-) en het gewest Zuid-Oost heeft Smeets tot afgevaardigde gekozen.
      maar niet:
      25Het gewest Noord (-) Boomsma (-) (-) en het gewest Zuid-Oost heeft Smeets tot afgevaardigde gekozen.uitgesloten
      26Dat hok moet (-) herstellen en die schuur mag je afbreken.uitgesloten
    2. Bij voorwaartse samentrekking kan de weggelaten reeks wel onderbroken worden en hoeft die ook niet aan te sluiten bij het verbindende element:
      27Het gewest Noord heeft Boomsma tot afgevaardigde gekozen en het gewest Zuid-Oost (-) Smeets (-) (-).
  4. Ook ten aanzien van de aard van de weggelaten delen verschillen voorwaartse en achterwaartse samentrekking.
    1. Bij achterwaartse samentrekking kunnen stukken van zinsdelen (zie 28 en 29), zinsdelen (zie 30) en combinaties daarvan (zie 31) weggelaten worden.
      Voorbeelden:
      28Hij gaat naar West- en zij gaat naar Oost-Afrika.
      29Hij geeft haar drie (-) en zij geeft hem twee platen.
      30Hij geeft haar (-) (-) en zij geeft hem drie platen.
      31Hij geeft (-) (-) (-) en zij leent mij een plaat.
    2. Bij voorwaartse samentrekking kunnen in het algemeen alleen zinsdelen of combinaties daarvan weggelaten worden. Hiervoor gelden de specifieke regels en uitzonderingen die hierna behandeld worden. Een algemene uitzondering is de persoonsvorm, die ook weggelaten kan worden als hij met een werkwoordelijke aanvulling (dus als stuk van een zinsdeel) voorkomt.
      Voorwaartse samentrekking vinden we dus bijv. wel in:
      32Hij geeft haar drie platen en zij (-) hem (-).(twee zinsdelen)
      33Jan heeft gewonnen, maar Piet (-) niet (-).(zinsdeel)
      34Jan heeft gewonnen, maar Piet (-) verloren.(stuk van een zinsdeel: persoonsvorm)
      35Jan heeft gewonnen en (-) is daar erg blij om.(zinsdeel)
      36Hij gaat vandaag naar West-Afrika en zij (-) morgen (-).(twee zinsdelen)
      37Karel heeft een foto van zijn vader genomen en Peter (-) (-) van zijn moeder (-).(twee zinsdelen)
      Voorwaartse samentrekking is echter niet (goed) mogelijk in de volgende zinnen, waar stukken van zinsdelen (afgezien van de persoonsvorm) weggelaten zijn:
      38Hij gaat naar West-Afrika en zij gaat naar Oost-.uitgesloten
      39Jan heeft gewonnen, maar Piet heeft niet (-).uitgesloten
      40Karel heeft een foto van zijn vader verloren en Peter (-) (-) van zijn moeder (-).twijfelachtig
      Het verschil tussen 37 en 40 is, dat in 37 een foto en van zijn vader afzonderlijke zinsdelen zijn, terwijl in 40 een foto van zijn vader één zinsdeel is. In 37 kan een foto dus (als zinsdeel) worden weggelaten, in 40 (als stuk van een zinsdeel) niet. Het gaat hier echter om een minder duidelijk geval dan in 38 en 39.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links