Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1.1.1 Classificatie van klinkers
Het Nederlands heeft 16 klinkers of vocalen die woordonderscheidend zijn en dus in de foneeminventaris opgenomen worden. Daarvan zijn er 13 eenklanken of monoftongen, en 3 tweeklanken of diftongen. Alle klinkers worden geproduceerd met trilling van de stembanden, d.w.z. ze zijn stemhebbend en kunnen gekarakteriseerd worden als [+stem]. Een ander kenmerk waarvoor alle klinkers dezelfde waarde hebben, heeft te maken met de manier van articulatie: ze zijn allemaal approximant. Dit betekent dat ze gearticuleerd worden met zodanig veel ruimte tussen de articulatoren dat de lucht vanuit de longen zonder enige hoorbare wrijving kan ontsnappen. Ze krijgen daarom het kenmerk [+approximant]. Verder worden alle klinkers gekarakteriseerd als [-consonant].
De klinkers kunnen geclassificeerd worden als in Tabel 1:
Tabel 1. De klinkers van het Nederlands
Ongespannen klinkers ɪ, ε, ɔ, ʏ, ɑ
Gespannen klinkers i, y, u, e, ø, o, a
Sjwa ə
Tweeklanken εi, œy, ɔu
Voor de classificatie van de Nederlandse klinkers zijn de volgende eigenschappen distinctief: gespannenheid, klinkerhoogte, plaats van articulatie (voor of achter in de mond), en lipronding. Het Nederlands heeft 6 ongespannen klinkers, inclusief de sjwa, en 7 gespannen. Behalve de 3 echte tweeklanken, heeft het Nederlands nog een aantal semi-diftongen (combinaties van gespannen klinkers met een j- of w-achtige klank, zoals oj in ooi en ew in eeuw) en een aantal marginale klinkers (ofwel leenvocalen, klinkers die enkel in leenwoorden voorkomen), zoals de u: van rouge.
De distinctieve eigenschappen met betrekking tot klinkerhoogte en plaats van articulatie kunnen afgelezen worden uit zogenaamde klinkerdiagrammen. Ze corresponderen met de eerste twee formanten: versterkte frequenties op basis waarvan we de verschillen tussen klinkers kunnen horen.
Verder lezen
Gespannenheid
Men onderscheidt gespannen van ongespannen klinkers. In de Nederlandse foneeminventaris zijn niet-hoge [+gespannen] klinkers lang en [–gespannen] klinkers zijn kort, alsmede de hoge klinkers. De term gespannen suggereert dat gespannen klinkers geproduceerd worden met meer inspanning van de spieren van de mond-keelholte, maar er is nooit een duidelijk fonetisch correlaat gevonden.
Zie Botma, Sebregts & Smakman (2012: 275), Botma & Van Oostendorp (2012: 137), Rietveld & Van Heuven (2016: 72).
De ongespannen klinkers van het Nederlands zijn ɪ, ε, ɔ, ʏ, ɑ, ə. De gespannen klinkers zijn i, y, u, e, ø, o, a. De woordonderscheidende eigenschap van gespannenheid voor Nederlandse klinkers blijkt uit minimale woordparen als zit ~ ziet, lek ~ leek, en zon ~ zoon.
Gespannenheid is geen eigenschap die een-op-een correleert met de duur van een klinker. De gemiddelde duur (in een rustige voorleesstijl) van de ongespannen klinkers en van de gespannen klinkers i, y, u is ongeveer 100 msec, terwijl de andere gespannen klinkers een gemiddelde duur van 200 msec hebben.
Zie Nooteboom (1972: 45-47); Van der Harst (2011:323-324).
Enkel voor r gedragen i, y, u zich qua duur als gespannen klinkers. (Zie ook 1.1.4.3 Klinkerverandering voor /r/ en 1.2.1.2 Het rijm). Er valt met andere woorden een driedeling te maken tussen korte (ongespannen), half-lange (gespannen) en lange (gespannen) klinkers.
Lengte vs. gespannenheid
Verdieping
Lengte vs. gespannenheid
Fonologische benaderingen van het Nederlandse klinkersysteem blijven over het algemeen vaag over de fonetische correlaten van het fonologische contrast tussen gespannen en ongespannen klinkers.
Botma et al. (2012) betogen dat gespannenheid beschreven kan worden aan de hand van de mate waarin een klinker zich perifeer dan wel centraal bevindt in het klinkerdiagram (ook wel klinkerdriehoek genoemd). Ongespannen klinkers zijn minder perifeer, d.w.z. ze zijn meer gecentraliseerd, dan gespannen klinkers.
Botma et al. (2012: 277); zie ook Lindau (1979), Harris & Lindsey (1995).
Er wordt aangenomen dat het spraakkanaal bij de realisatie van ongespannen klinkers de ‘neutrale positie’ dichter benadert dan bij gespannen klinkers, waarbij meer afgeweken wordt van die positie.
Botma et al. (2012: 278) betogen dat de neutrale positie van het spraakkanaal niet overeenkomt met de positie voor de realisatie van de sjwa; de sjwa situeert zich wat hoger in de klinkerdriehoek dan de neutrale positie.
Andere theorieën brengen het contrast gespannen vs. ongespannen in verband met de positie van de tongwortel: die zou zich meer naar voren bewegen bij de realisatie van gespannen klinkers, wat uitgedrukt wordt als ATR (Advanced Tongue Root),
Zie Smith et al. (1989).
en meer naar achteren bij de realisatie van ongespannen klinkers, nl. RTR (Retracted Tongue Root).
Van Oostendorp (2000).
Hoogte
De hoogte van klinkers wordt bepaald door de relatieve hoogte van de tong in de mondholte, d.w.z. de nabijheid van de tong tot het monddak (hetzij het harde gehemelte of palatum, hetzij het zachte gehemelte of velum). Voor het Nederlands worden er vier niveaus van klinkerhoogte onderscheiden: gesloten (ook wel hoog), half gesloten (ook hoog-midden), half open (ook laag-midden) en open (ook laag) (zoals ook af te lezen in de klinkerdiagrammen voor het Nederlands). Gesloten klinkers van het Nederlands zijn i, y, u; deze klinkers worden geproduceerd met een deel van de tong hoog geheven naar het gehemelte. Half gesloten zijn de klinkers ɪ, ʏ, e, ø, o. Half open zijn ε , ɔ en de beginklanken van de diftongen εi, œy, ɔu. Open klinkers van het Nederlands zijn ɑ, a; deze worden gerealiseerd met de tong ver verwijderd van het gehemelte (bijvoorbeeld door de kaak te openen).
Verhoeven & Van Bael (2002: 19) onderscheiden op fonetisch gebied vijf niveaus van klinkerhoogte voor het Belgisch Nederlands, want de a wordt in die variëteit van het Nederlands opener gerealiseerd dan de ɑ (zie ook hier). Van der Harst (2011: 158) vindt echter nauwelijks verschillen tussen Nederland en Vlaanderen: hij stelt vast dat ook in het Nederlands Nederlands de a (veel) opener wordt gerealiseerd dan de ɑ.
Plaats van articulatie
De plaats van articulatie van klinkers wordt bepaald door waar in het spraakkanaal er de sterkste vernauwing is van de tong ten opzichte van het monddak: afhankelijk van de klinker zal de voor- of achterkant van de tong het hoogst geheven zijn. Voorklinkers van het Nederlands zijn i, ɪ, e, ε, y, ø, ʏ en de tweeklanken εi en œy;
Zowel het eerste als tweede element van deze tweeklanken zijn voorklinkers. De œy wordt in het Nederlands Nederlands wel iets meer naar achteren gerealiseerd dan in het Belgisch Nederlands, en bij die laatste variëteit vertoont de œy ook een sterkere verglijding naar voren (zie Van der Harst (2011: 173)
achterklinkers van het Nederlands zijn u, o, ɔ, a, ɑ en de diftong ɔu (zie Figuren 1 en 2).
In het Nederlands Nederlands wordt de ɔu iets meer naar voren gerealiseerd dan in het Belgisch Nederlands (zie Van der Harst (2011: 173)
In de categorisering van klinkers op basis van klinkerhoogte en plaats van articulatie, zoals hierboven beschreven, neemt de sjwa een bijzondere plaats in, in die zin dat sjwa niet voor, niet achter, niet hoog en niet laag is. Sjwa is de meest centrale klinker in het klinkerdiagram (ook wel klinkerdriehoek genoemd).
Lipronding
Bij de productie van geronde klinkers zijn de lippen bijna gedurende de gehele articulatie gerond, terwijl ongeronde klinkers worden gekenmerkt door een neutrale of (licht) gespreide lippenstand gedurende de gehele articulatie. De geronde Nederlandse klinkers zijn y, u, ø, o, ʏ, ɔ , œy. De ongeronde klinkers zijn i, e, a, ɪ , ε , ɑ, εi, ə.
Booij (1995), Rietveld & Van Heuven (2016: 71).
Er is overigens sprekergebonden variatie in de mate van ronding van het eerste element van œy en van ə.
Zie Collins en Mees (1984: 111-117).
Ronding van de tweeklank ɔu?
Verdieping
Ronding van de tweeklank ɔu?
Over de ronding van de tweeklank ɔu is er onduidelijkheid in de literatuur. Gussenhoven (2007: 340) betoogt dat het eerste element van de tweeklank ongerond is in de noordelijke variëteit en dat ronding pas optreedt bij de verglijding naar het tweede deel van de tweeklank (dus ɑu), terwijl in het Belgisch Nederlands het eerste deel van de diftong al gerond is en er bijgevolg gedurende de gehele articulatie ronding is (dus ɔu). Van der Harst (2011) vindt echter geen aanwijzingen dat dit enkel een kenmerk is van het Belgisch Nederlands.
Een overzicht van de distinctieve kenmerken van klinkers
De woordonderscheidende eigenschappen van klanken kunnen worden weergegeven als een bundel van binaire distinctieve kenmerken. Zulke distinctieve kenmerken voor Nederlandse klinkers worden weergegeven in Tabel 1.
Voor de tweeklanken worden de distinctieve eigenschappen van het eerste en tweede element van de diftong weergegeven. Voor de tweeklank ɔu worden de waarden voor de eigenschap rond voor respectievelijk het Belgisch Nederlands en het Nederlands Nederlands apart weergegeven.
Tabel 1. De distinctieve kenmerken van Nederlandse klinkers
i y u ɪ e ʏ ø o ɔ ε ɑ a ə εi œy ɔu
consonant - - - - - - - - - - - - - –/– –/– –/–
gespannen + + + - + - + + - - - + –/+ +/+ +/+ +/+
hoog + + + + + + + + - - - - - –/+ –/+ –/+
midden - - - + + + + + + + - - - +/– +/– +/–
achter - - + - - - - + + - + + - –/– –/– +/+
rond - + + - - + + + + - - - - –/– +/+ +/+ –/+
Deze distinctieve kenmerken, en combinaties ervan, worden ook gebruikt om natuurlijke klassen van klanken te karakteriseren. Zo kunnen klassen van klanken worden aangeduid waarvoor een bepaalde fonologische regel geldt. De klinkers i, y, u kunnen bijvoorbeeld worden gekarakteriseerd door middel van de binaire kenmerken [-consonant], [+gespannen], [+hoog]. Het zijn deze drie klinkers die voor een r in dezelfde voet verlenging ondergaan, zoals in bier, buur en boer.
Sommige distinctieve kenmerken zijn te voorspellen voor specifieke fonemen op basis van de aanwezigheid van andere kenmerken. De regels die hierbij een rol spelen, worden redundantieregels genoemd. Zo zijn de middenvocalen die gespannen zijn (e ø, o) voorspelbaar [+hoog].
Zie Booij (1995: 17) voor een uitwerking van deze redundantieregels.
Literatuur
Lindau (1979), Collins en Mees (1984), Smith et al. (1989), Booij (1995), Harris & Lindsey (1995), Van Oostendorp (2000), Verhoeven & Van Bael (2002), Gussenhoven (2007), Van der Harst (2011), Botma, Sebregts & Smakman (2012), Botma & Van Oostendorp (2012), Rietveld & Van Heuven (2016).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020
    Interessante links