Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
20.1.3.3.3 Een naamwoordelijke constituent met een substantief als kern
Verder lezen
Er zijn geen grammaticale beperkingen op de substantivische constituenten die naamwoordelijk deel kunnen zijn. Enkele voorbeelden:
1Zijn vader is advocaat.
2Zijn vader is een bekend advocaat.
3Zijn vader is de beste advocaat van de stad.
4Zijn vader is ook maar een mens.
5Zijn vader is een oude bekende van ons.
6Zijn vader is een vat vol tegenstrijdigheden.
Naar aanleiding van een zin als 3 kan de vraag gesteld worden, hoe we kunnen vaststellen wat in een zin onderwerp en wat naamwoordelijk deel van het gezegde (in de vorm van een naamwoordelijke constituent) is. Naast 3 is immers ook mogelijk:
7De beste advocaat van de stad is zijn vader.
In eerste instantie is men vanwege de woordvolgorde geneigd in 3 zijn vader als onderwerp en de beste advocaat van de stad als naamwoordelijk deel te beschouwen en in 7 de beste advocaat van de stad als onderwerp en zijn vader als naamwoordelijk deel: het onderwerp staat namelijk meestal aan het begin van de zin (in ieder geval in voorbeeldzinnen van grammatica's; zie [21.3.1.1/2], Opmerking). Als elk zinsdeel kan echter ook het naamwoordelijk deel in principe op de eerste zinsplaats staan; vergelijk heel bekwaam in 8a en 8b:
8aZijn vader is wel heel bekwaam.
bHeel bekwaam is zijn vader wel.
De zinnen 3 en 7 zouden dus ook andersom ontleed kunnen worden dan hierboven gedaan is. In 8b kan heel bekwaam geen onderwerp zijn, omdat het onderwerp in principe uit een naamwoordelijke constituent, een infinitief(constructie) of een zin bestaat (zie [20.2.2]). Daar komt bij dat het naamwoordelijk deel meestal ruimer van inhoud is dan het onderwerp. Zo kan men van meer mensen zeggen dat ze 'heel bekwaam' zijn, maar slechts van één mens dat hij de vader van een bepaalde persoon is. Deze laatste redenering gaat ook op voor de zinnen 1, 2, 4, 5 en 6. Voor 3 echter geldt, dat er maar één persoon is die als 'zijn vader' en één die als 'de beste advocaat van de stad' aangeduid kan worden. Door het koppelwerkwoord worden deze personen als identiek voorgesteld. Dergelijke identiteitsuitspraken vinden we bijv. ook in:
9Zijn werk is zijn hobby.
10Mijn slaapkamer is mijn studeerkamer.
Wat in zinnen als deze onderwerp en wat naamwoordelijk deel is, valt grammaticaal niet vast te stellen.
Voor het al dan niet gebruiken van het onbepaald lidwoord in zinnen als 1 en 2 en bijv. in:
11aZijn vader is artiest.
bZijn vader is een artiest.
wordt verwezen naar [4.5.6].
Voor de getalscongruentie tussen onderwerp en naamwoordelijk deel: zie [20.2.3.2].
Voor gevallen als Zij is 49 (= 49 jaar = 49 jaar oud ): zie [20.10.7] en(7.2.2.3, sectie 3).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links