Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
24.3.1.2 De leden zijn geen zinnen
Verder lezen
1
Twee taalelementen die zinsdeel zijn, kunnen nevenschikkend verbonden worden als de vervanging van het ene element door het andere geen verandering veroorzaakt in de zinsdeel- of de betekenisfunctie. Zo kan Frans in zin 1 vervangen worden door Leliane, zoals in zin 2:
1Frans heeft een ruit gebroken.
2Leliane heeft een ruit gebroken.
Net zoals Frans in 1, vervult Leliane in 2 de functie van onderwerp. Ook de betekenisfunctie is dezelfde: zowel Frans als Leliane zijn 'handelende persoon'. Vandaar dat men Frans en Leliane nevenschikkend kan verbinden, zoals in zin 3:
3Frans en Leliane hebben een ruit gebroken.
In 3 wordt ook voldaan aan de eis dat de leden de functie van het geheel kunnen vervullen: het geheel in 3 is onderwerp en handelende persoon, en die functies hebben ook de leden afzonderlijk in 1 en 2.
Daarentegen is een zin als 4 niet mogelijk:
4Ze wachtten op de dokter en op het perron.uitgesloten
omdat de beide leden een verschillende zinsdeelfunctie vervullen. Op de dokter fungeert in:
5Ze wachtten op de dokter.
als voorzetselvoorwerp, en op het perron heeft in:
6Ze wachtten op het perron.
de functie van bijwoordelijke bepaling.
Zo is ook 7 onmogelijk:
7De jongen en de steen braken de ruit.uitgesloten
hoewel zowel de jongen als de steen onderwerp zijn in respectievelijk 8 en 9:
8De jongen brak de ruit.
9De steen brak de ruit.
De twee onderwerpen zijn echter ongelijkwaardig wat de betekenisfunctie betreft: in 8 is het onderwerp de handelende persoon, in 9 het middel waarmee de handeling verricht wordt.
2
De regel van de functionele gelijkwaardigheid geldt ook voor nevenschikkingen waarvan de leden geen zinsdeel zijn. Binnen de volgende naamwoordelijke constituent zijn bijvoorbeeld twee adjectieven nevengeschikt:
10de moeilijke en gevaarlijke opdracht
Zowel moeilijk als gevaarlijk zijn woorden met dezelfde syntactische verbindingsmogelijkheden: ze kunnen optreden als voorbepalingen die het dichtst bij het kernsubstantief staan:
11de moeilijke opdracht
12de gevaarlijke opdracht
Andere voorbeelden:
13de eerste en moeilijkste vraag
14de gebroken en diep bedroefde vrouw
15de dreigende en nauwelijks te ontwijken klippen.
Alle woorden of groepen die in deze verbindingen als leden worden gebruikt zijn voorbepalingen die het dichtst bij de kern staan; de overeenkomst in betekenisfunctie bestaat hierin dat ze allemaal een door een substantief genoemde zelfstandigheid specificeren.
In de zin:
16Twee en grote kannibalen kwamen op ons af.uitgesloten
zijn een telwoord en een adjectief nevenschikkend verbonden. Deze nevenschikking is onmogelijk omdat de leden ongelijkwaardig zijn. Syntactisch is dit het geval omdat het adjectief een voorbepaling is en het telwoord een deel van de determinator (zie respectievelijk [14.5.1.1] en [14.4.5.1]). Qua betekenisfunctie zijn de leden niet gelijkwaardig omdat het adjectief de door het kernwoord genoemde zelfstandigheden specificeert en het telwoord het aantal van de zelfstandigheden aangeeft.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links