Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
5.3.3.2.iii Het wederkerend voornaamwoord in voorzetselconstituenten
Verder lezen
In voorzetselconstituenten zijn de verwijzingsmogelijkheden van wederkerende voornaamwoorden ruimer dan in andere gevallen. In zinnen met een geïmpliceerd onderwerp dat niet identiek is met het getalsonderwerp, hoeft het wederkerend voornaamwoord niet naar het geïmpliceerd onderwerp te verwijzen, maar kan ook het getalsonderwerp antecedent zijn. Een voorbeeld is:
1Johan zag de agent op zich afkomen.zich = Johan
waar zich niet naar het geïmpliceerd onderwerp de agent verwijst, maar naar het getalsonderwerp Johan.
Verwijzing met een persoonlijk voornaamwoord is overigens ook mogelijk, vergelijk:
2Johan zag de agent op hem afkomen.
Deze verwijzingsmogelijkheid van het wederkerend voornaamwoord bestaat alleen als er sprake is van een geïmpliceerd onderwerp en een getalsonderwerp, niet bij twee getalsonderwerpen. Vergelijk:
3Johan zag dat de agent op hem afkwam.
4Johan zag dat de agent op zich afkwam.uitgesloten
Bij voorzetsels met lokale betekenis en als dubbelzinnigheid uitgesloten is, bestaat er voor de verwijzing naar een getalsonderwerp zelfs een voorkeur voor een wederkerend voornaamwoord. Vergelijk:
5aZe liet de storm rustig over zich heengaan.
bZe liet de storm rustig over haar heengaan.twijfelachtig
6aHij voelde de bekoring van zich wijken.
bHij voelde de bekoring van hem wijken.twijfelachtig
Andere voorbeelden, waar zowel een wederkerend als een persoonlijk voornaamwoord gebruikt kan worden:
7aHij vond dat huis veel te groot voor zichzelf alleen.
bHij vond dat huis veel te groot voor hem alleen.
8aZij achtte het middel voor zichzelf ongeschikt.
bZij achtte het middel voor haarzelf ongeschikt.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
In gevallen als deze worden de persoonlijke voornaamwoorden van de derde persoon vaak verlengd met -zelf (bijv. haarzelf in 8b). Deze zelf -vormen worden, evenals die van de wederkerende voornaamwoorden, meestal als één woord geschreven. Zie verder [5.6.7].
Verder kan het wederkerend voornaamwoord na een voorzetsel naar een ander zinsdeel dan het onderwerp verwijzen, bijv. in:
9We moeten die jongen tegen zichzelf beschermen.
De vorm van het wederkerend voornaamwoord maakt al duidelijk dat het niet naar het onderwerp (we) kan verwijzen. Een omschrijving zoals in ii 3 vermeld [5.3.3.2.2/3], waardoor die jongen onderwerp wordt, is ook niet goed mogelijk. We stellen dus vast dat het wederkerend voornaamwoord hier naar het lijdend voorwerp (die jongen) verwijst.
Hier is ook weer mogelijk:
10We moeten die jongen tegen hemzelf beschermen.
maar 9 heeft de voorkeur.
Verwijzing naar het meewerkend voorwerp vinden we in de meest voor de hand liggende interpretatie van
11De boekhandelaar verkocht Harry Mulisch een boek van zichzelf.zichzelf = Harry Mulisch: interpretatie 1
Maar noch de grammatica noch de kennis van de wereld verzetten zich tegen de interpretatie waarin de boekhandelaar zelf een boek geschreven heeft, namelijk:
12De boekhandelaar verkocht Harry Mulisch een boek van zichzelf.zichzelf = de boekhandelaar: interpretatie 2
Bovendien is voor de meeste taalgebruikers in beide interpretaties ook mogelijk:
13De boekhandelaar verkocht Harry Mulisch een boek van hemzelf.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links