Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1 De klanken van het Nederlands
Klanken zijn abstracties over de geluidsstromen die we horen. We spreken woorden niet uit als een reeks afzonderlijke klanksegmenten, want de ene klank gaat vloeiend over in de ander. Dat taalgebruikers deze abstracte klanksegmenten toch kunnen herkennen in spraak blijkt bijvoorbeeld uit de mogelijkheid van alfabetische spelling, waarbij voor ieder klanksegment een aparte letter wordt gebruikt om die klank visueel weer te geven. De segmenteerbaarheid van de geluidsstroom blijkt ook uit versprekingen en rijm. Bij versprekingen worden klanksegmenten verwisseld. Een voorbeeld is de verspreking het temmen van de stellen in plaats van het tellen van de stemmen .
Een verspreking van mw. M. van Toorenburg als voorzitter van de Tweede Kamer op 16 januari 2019.
Hier wordt de klank m van stemmen verwisseld met de l van tellen. Bij rijm, zoals vaak gebruikt in poëzie, moeten we ook klanksegmenten onderscheiden. Dat de woorden pak, bak en strak op elkaar rijmen komt doordat ze vanaf de klinker identiek.
Een eerste onderdeel van de fonologie van een taal is een opsomming van de woordonderscheidende klanken. In het Nederlands zijn bijvoorbeeld de b en de p woordonderscheidende klanken. Ze maken dat we de woorden pak en bak van elkaar kunnen onderscheiden. Deze twee medeklinkers worden daarom fonemen van het Nederlands genoemd.
De eigenschappen van fonemen spelen een centrale rol in het onderscheiden van woorden. In het Nederlands worden de woorden bak en pak van elkaar onderscheiden doordat de beginklanken van die woorden op een bepaalde manier van elkaar verschillen. De b wordt namelijk stemhebbend uitgesproken, dat wil zeggen, met trilling van de stembanden, terwijl bij de p de stembanden niet trillen. Voor alle andere klankeigenschappen zijn de b en de p identiek. We noemen bak en pak een minimaal paar: twee woorden die maar in één foneem van elkaar verschillen. De eigenschappen stemhebbendheid en stemloosheid zijn dus in het Nederlands distinctieve kenmerken.
Als distinctief kenmerk is stemhebbendheid of stemloosheid een alles-of-nietskenmerk: de b is stemhebbend ([+stem]), maar de p stemloos ([-stem]). Hoe dat verschil in stemhebbendheid precies wordt gerealiseerd in de uitspraak, bijvoorbeeld door verschillen in timing, is een kwestie voor de fonetiek. We maken dus een onderscheid tussen fonologie en fonetiek: fonologie gaat over de rol van klanken in het taalsysteem, en fonetiek gaat over de manier waarop klanken worden geproduceerd (articulatorische fonetiek) en waargenomen (auditieve fonetiek), en wat de fysische eigenschappen van spraakklanken zijn (akoestische fonetiek).
Zie Rietveld & Van Heuven (2016) voor een inleiding in de fonetiek van het Nederlands.
Het geheel van woordonderscheidende klanken van een taal noemen we de foneeminventaris. Er zijn ook klankverschillen die niet woordonderscheidend zijn. Zo worden in het Nederlands de klinkers i, y, u voor een r (zoals in bier, buur en boer) langer uitgesproken dan in andere omgevingen.
En in het Nederlands Nederlands klinkt het laatste deel voor een /r/ meer als een ə.
De i in bier bi:r klinkt bijvoorbeeld langer dan de i in biet bit. Deze variatie in klinkerlengte wordt in het Nederlands niet woordonderscheidend gebruikt. Het foneem i heeft dus twee fonetische realisaties: i en i:. We noemen deze fonetische realisaties allofonen van het foneem i.
Het woordonderscheidend vermogen van een klankkenmerk kan in bepaalde posities worden geneutraliseerd. Het onderscheid in stemhebbendheid tussen p en b bijvoorbeeld is geneutraliseerd aan het eind van een lettergreep, waar alleen de stemloze variant kan optreden. De woorden top en tob hebben beide de fonetische vorm tɔp. Dit type neutralisatie, namelijk finale verscherping, treedt op bij alle plofklanken en wrijfklanken van het Nederlands.
Een klankcontrast kan ook in bepaalde posities maar beperkt gebruikt worden, en heeft dan, zo zeggen fonologen, een geringe functionele belasting. Het contrast stemloos-stemhebbend tussen f en v en tussen s en z wordt bijvoorbeeld maar heel weinig gebruikt aan het begin van een woord. Woordparen waar dat contrast wel een rol speelt zijn vee-fee, vier-fier, vazen-fase, zier-sier en zus-sus.
Van de Velde et al. (1995).
Veel sprekers van het Standaardnederlands maken geen onderscheid tussenf en v of tussen s en z aan het begin van een woord en gebruiken altijd de stemloze variant (f, s). Deze verstemlozing aan het woordbegin kent een aanzienlijke geografische variatie: naarmate men afdaalt naar het zuiden van het Nederlandse taalgebied is het contrast stemhebbend-stemloos beter bewaard.
Zie Van Heuven & Van de Velde (2010: 7).
Verder lezen
In de volgende paragrafen worden de klanken van het Standaardnederlands, hun fonetische eigenschappen en distinctieve kenmerken, en de geografische en allofonische variatie in de uitspraak ervan besproken.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020 De verantwoordelijke redacteur was Kathy Rys. Een tussentijdse versie van dit hoofdstukdeel werd van commentaar voorzien door Geert Booij, Bert Botma, Frans Hinskens, Anne-France Pinget, en Hans van de Velde. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit hoofdstukdeel berust bij Kathy Rys.
    Interessante links