Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
20.6.1 Inleiding
Verder lezen
1
Het voorzetselvoorwerp is een zinsdeel dat bij bepaalde werkwoordelijke en naamwoordelijke gezegdes kan of moet voorkomen en de zelfstandigheid aanduidt waarop de door het gezegde uitgedrukte werking gericht is; het bestaat in principe altijd uit een voorzetselconstituent (zie voor dat laatste echter [20.6.3]).
Het zinsdeel dat traditioneel als voorzetselvoorwerp bekend staat, heeft een omstreden status; zowel terminologisch als inhoudelijk is door taalkundigen bezwaar aangetekend tegen het begrip voorzetselvoorwerp. Niettemin is de benaming van dit zinsdeel zo ingeburgerd dat hier een bespreking volgens de gangbare opvattingen volgt.
2
Naar de betekenis vertoont het voorzetselvoorwerp overeenkomst met het lijdend voorwerp. Er bestaan dan ook vrijwel of geheel gelijkluidende werkwoorden die in dezelfde betekenis zowel met een lijdend voorwerp als met een voorzetselvoorwerp gecombineerd kunnen worden. In de volgende zinnen zijn de gecursiveerde zinsdelen in de (a) -zinnen lijdend voorwerp, in de (b) -zinnen voorzetselvoorwerp:
1aZoek je je paraplu?
bZoek je naar je paraplu?
2aHij heeft een rijke vrouw getrouwd.
bHij is met een rijke vrouw getrouwd.
3aIk betwijfel de betrouwbaarheid van deze proef in sterke mate.
bIk twijfel in sterke mate aan de betrouwbaarheid van deze proef.
Naar de vorm is het voorzetselvoorwerp van het lijdend voorwerp te onderscheiden doordat het een voorzetselconstituent is. Een verschil is verder dat het ook bij naamwoordelijke gezegdes kan voorkomen, wat voor het lijdend voorwerp niet geldt.
Moeilijker is het voorzetselvoorwerp te onderscheiden van een bijwoordelijke bepaling die in de vorm van een voorzetselconstituent optreedt. In de volgende zin is in de trein een bijwoordelijke bepaling van plaats, in zijn boek een voorzetselvoorwerp:
4Hij verdiepte zich in de trein meteen weer in zijn boek.
Vervangen we het zinsdeel in zijn boek door iets anders, met behoud van de betekenisverhoudingen in de zin, dan blijft steeds het voorzetsel in gehandhaafd:
5Hij verdiepte zich in de trein meteen weer in het ochtendblad/in zijn paperassen/in het driemaandelijks verslag/in De nieuwe taalgids.
Bij vervanging van in de trein onder dezelfde voorwaarden kunnen andere voorzetsels optreden:
6Hij verdiepte zich op kantoor/bij zijn ouders/achter de kachel/aan het water meteen weer in zijn boek.
We noemen daarom het voorzetsel dat een voorzetselvoorwerp inleidt, een vast voorzetsel; voorzetsels bij bepalingen zijn variabel.
Vergelijk verder 7 met 8 en 9 met 10:
7Hij wacht op zijn broer/op de trein/op een vaste aanstelling/op de dingen die komen gaan. (voorzetselvoorwerp)
8Hij wacht op het perron/in de wachtkamer/bij het loket/voor het station. (bijwoordelijke bepaling)
9Hij staat op contante betaling/op perfecte afwerking/op orde en regelmaat. (voorzetselvoorwerp)
10Hij staat op de trap/in de rij/achter het hek. (bijwoordelijke bepaling)
Bij enkele werkwoorden die geacht worden met een voorzetselvoorwerp verbonden te kunnen worden, komt meer dan één voorzetsel voor, bijv.
denken aan/om/over geloven aan/in vergelijken met/bij
Soms is hier sprake van betekenisverschil, soms nauwelijks. Zo zal men tegen iemand die op reis gaat zowel 11a als 11b kunnen zeggen, maar in normale omstandigheden niet 11c:
11aDenk aan je paspoort!
bDenk om je paspoort!
cDenk over je paspoort!uitgesloten
In deze gevallen zal bij twijfel tussen voorzetselvoorwerp en bijwoordelijke bepaling de betekenis de doorslag moeten geven. Wat in(19.1.1, sectie 2a) over voorwerpen in het algemeen gezegd is, geldt uiteraard ook voor het voorzetselvoorwerp: de daardoor aangeduide zelfstandigheid is nauwer betrokken bij de werking van het gezegde dan datgene wat in een bepaling wordt uitgedrukt. Vergelijk nog:
12Denk je aan het Gardameer nog eens aan mij? (aan het Gardameer: bijwoordelijke bepaling van plaats; aan mij: voorzetselvoorwerp)
13Denk je om vijf uur 's morgens wel om je paspoort? (om vijf uur 's morgens: bijwoordelijke bepaling van tijd; om je paspoort: voorzetselvoorwerp)
3
In een enkelvoudige zin komt altijd maar één voorzetselvoorwerp voor. Het kan het enige voorwerp van de zin zijn, maar het kan ook gecombineerd worden met een lijdend voorwerp, bijv.:
14Hij scheidde het licht van de duisternis. (het licht: lijdend voorwerp; van de duisternis: voorzetselvoorwerp)
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links