Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
5.2.6 Onderwerps- en niet-onderwerpsvormen
Verder lezen
1
De onderwerpsvormen worden gebruikt:
  1. als onderwerp, bijv.:
    1Zij zullen het wel niet gedaan hebben.
    2Morgen moet hij naar de tandarts.
    Hiertoe behoort ook het gebruik na als en dan in vergelijkingen als na het voegwoord een bijzin aangevuld kan worden waarin het voornaamwoord onderwerp wordt:
    3Kristel is precies even oud als ik. (= 'als ik ben')
    4Theo loopt niet harder dan jij. (= 'dan jij loopt')
  2. in aansprekingen, bijv.:
    5Jij daar, waar ga je met die fiets naar toe?
  3. als naamwoordelijk deel van het gezegde, bijv.:
    6(Bij het bekijken van een foto: ) Dat is Kristel, dat is Theo, en dat ben jij.
    7A: Ben ik dat? Dat kan niet! B: Heus waar, dat bén je.
    8Die flinke jongens, waarover jullie net hoorden spreken, dat zijn wij.
    9Er is er één jarig, hoera, hoera - dat kun je wel zien, dat is zij.
    In sommige gevallen komen niet-onderwerpsvormen als naamwoordelijk deel van het gezegde voor, zie 2, [c].
2
De niet-onderwerpsvormen worden gebruikt:
  1. als voorwerp, bijv.:
    10Daar hoef je me niets over te vertellen.
    11Ze hebben haar ontslagen.
    Hiertoe behoort ook het gebruik na als en dan in vergelijkingen, als na het voegwoord een bijzin aangevuld kan worden waarin het voornaamwoord voorwerp wordt:
    12Ik geef het jou liever dan haar. (= 'dan ik het haar geef')
    13Ze zien hem daar even vaak als jou. (= 'als ze jou zien')
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Het gebruik van de persoonlijke voornaamwoorden als meewerkend voorwerp is aan dezelfde beperkingen onderhevig als die welke gelden voor het meewerkend voorwerp zonder voorzetsel in het algemeen [20.4]. Dat betekent dat ze in die functie vrijwel uitsluitend voorkomen als ze naar personen verwijzen. Als het antecedent een de-woord is dat een publiekrechtelijk lichaam of iets dergelijks noemt (bijv. de regering), is het gebruik van een persoonlijk voornaamwoord evenwel toch mogelijk, terwijl dat niet of nauwelijks het geval is bij soortgelijke het -woorden (bijv. het bestuur). Voorbeelden:
    iWe leggen het kind te slapen en geven het een warme kruik.
    iiDe raad houdt alleen rekening met de suggesties die hem tijdig zijn voorgelegd.
    iiiDe regering heeft niet gelet op de haar opgelegde beperkingen.
    ivaHet bestuur heeft niet geantwoord op de vragen die men het had voorgelegd.twijfelachtig
    bHet bestuur heeft niet geantwoord op de vragen die het waren voorgelegd.uitgesloten
    vHet peloton marcheerde naar de plaats die het was gereserveerd.uitgesloten
    In zinnen als iv en v moet men het meewerkend voorwerp omschrijven met aan of voor (in de vorm van een voornaamwoordelijk bijwoord, bijv. ervoor), of men kan er de voorkeur aan geven een andere formulering te gebruiken, zoals:
    viHet bestuur heeft niet geantwoord op de vragen die het voorgelegd had gekregen.
  2. na een voorzetsel, bijv.:
    14We waren het niet met hem eens.
    15Heb je die cd aan haar gegeven?
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Voor de mogelijkheden en beperkingen bij het gebruik van voornaamwoordelijke bijwoorden in plaats van voornaamwoorden voorafgegaan door een voorzetsel (bijv. erop in plaats van op hem of op het) in gevallen als [a] en [b]: zie [8.7.3].
  3. als naamwoordelijk deel van het gezegde:
    • in de uitdrukking Als ik... was;
      Hier zijn de volle vormen gebruikelijker, maar de gereduceerde niet onmogelijk, afhankelijk van de accentuering. Vergelijk:
      16aAls ik jóu was...
      bAls ík je was...
      17aAls ik háár was...
      bAls ík 'r was...
    • in de in kinderspelen gebruikte uitdrukking:
      18Hij/zij is ' m. ('Hij/zij is degene die de anderen moet tikken, vangen (en dergelijke)')
    • als er personen geïdentificeerd worden en de klemtoon niet op het voornaamwoord ligt;
      Het onderwerp van de zin is een buitentekstelijk verwijzend voornaamwoord. Hier komen alleen gereduceerde vormen van de derde persoon enkelvoud voor. Voor mannelijke personen wordt de niet-onderwerpsvorm ('m) gebruikt, voor vrouwelijke personen in regionaal informeel taalgebruik (in Nederland voorkomend) wel d'r (niet-onderwerpsvorm), overigens ze (onderwerps- en niet-onderwerpsvorm). Voorbeelden:
      19Is dat de bakker? Ja, het is 'm.
      20Staat mevrouw de minister ook op die foto? Ja zeker, dit is ze.
      21Komt Jannie daar aan? Ja waarachtig, het is d'r!informeel_regionaal
  4. in een aantal idiomatische uitdrukkingen;
    Het betreft hier steeds de gereduceerde vorm 'm, bijv.:
    22Ze smeerden ' m. (= 'ze liepen weg')
    23Hij zit 'm te knijpen als een ouwe dief.
    24Daar zit 't 'm in.
    25Hij heeft 'm om. (= 'hij is dronken')
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    In strijd met de hier onder 1 en 2 gegeven regels worden in gesproken taal dikwijls niet-onderwerpsvormen in plaats van onderwerpsvormen gebruikt. Dit geldt met name voor:
    • hun (derde persoon meervoud), bijv. in:
      22Hun zullen het wel niet gedaan hebben.uitgesloten
    • ' m (derde persoon mannelijk enkelvoud), bijv. in:
      23Morgen moet 'm naar de tandarts.uitgesloten
    • mij , jou , hem , haar , ons , hun na als en dan in vergelijkingen, bijv. in:
      24Kristel is precies even oud als mij.uitgesloten
      25Theo loopt niet harder dan jou.uitgesloten
    Voor het gebruik van onderwerps- en niet-onderwerpsvormen na kijk en hoor met infinitief: zie [18.5.4.9].
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links