Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.3.1.2 Afhankelijke zinnen die van de eerste zinsplaats uitgesloten zijn
Verder lezen
Niet alle soorten afhankelijke zinnen kunnen op de eerste zinsplaats voorkomen. Met name de hieronder vermelde gevallen zijn van die plaats uitgesloten. Voor de plaatsingsmogelijkheden die ze wel hebben - aanloop, middenstuk, enz. - wordt de lezer naar de respectieve paragrafen verwezen. In de voorbeelden worden telkens alleen de polen van de rompzin waar de bedoelde zin van afhangt, door verticale streepjes aangegeven.
  1. Gevolgzinnen, waaronder die van graadaanduidend gevolg (onder andere die met de constructie 'zo (+ adjectief) (...) + dat'); dergelijke zinnen staan steeds op de laatste zinsplaats, achter de tweede pool. Voorbeelden zijn:
    1Zijn verhalen |bleken| nooit |te kloppen|, zodat uiteindelijk niemand hem nog au sérieux nam.
    2Toen |is| in het stadje een epidemie uit|gebroken|, met als gevolg dat ruim tweeduizend mensen stierven.
    3Ik |was| er zo moe en kriebelig van |geworden|, dat ik er maar meteen mee ophield.
  2. Vergelijkende zinnen met
    als alsof (net) of
    die van het werkwoord uit de rompzin afhangen en niet zonder meer weglaatbaar zijn, bijv.:
    4Hij |moet| zich toch altijd |gedragen| als was hij beter dan de anderen!formeel
    5Je |moet| nu niet |doen| alsof je niets gehoord hebt.
    6(Ik vond) |dat| ze er uit|zagen| alsof ze ziek waren.
    7(Ik wou wel) |dat| ze niet steeds net |deed| of ze alles al wist.
    Deze zinnen moeten op de laatste zinsplaats staan. Als dergelijke vergelijkende zinnen echter betrekking hebben op de gehele rompzin, kunnen ze wel vooraan op de eerste zinsplaats staan; een andere mogelijkheid is de uitloop. Vergelijk het volgende paar voorbeelden:
    8aNet of dat enig verschil maakt |wil| Cor absoluut een paar dagen eerder |vertrekken.|
    bCor |wil| absoluut een paar dagen eerder |vertrekken|, net of dat enig verschil maakt.
    Ook een vergelijkende zin met alsof als (weglaatbare) bijwoordelijke bepaling kan op de eerste zinsplaats staan blijkens zin 9:
    9Alsof het een alledaags karweitje was |begon| hij met de vrachtwagen die steile helling op |te rijden.|
    Vergelijkende zinnen die beginnen met zoals (in één woord geschreven), kunnen eveneens op de eerste zinsplaats staan en bovendien ook in de aanloop of op de laatste zinsplaats, respectievelijk bijv.:
    10aZoals hij dat aangepakt heeft |kan| het echt niet.
    bZoals hij dat aangepakt heeft, zo |kan| het echt niet.
    cZo |kan| het echt niet | | zoals hij dat aangepakt heeft.
    In de constructie 'zo (+ adjectief) (...) + als-zin' staat de als-zin altijd achter de tweede pool, tenzij de hele adjectivische constituent (in voorbeeld 11 zo leuk als...) ongesplitst vooraan staat. Vergelijk:
    11aHet |is| helaas niet zo leuk |geworden| als we gehoopt hadden.
    bZo leuk als we gehoopt hadden |is| het helaas niet |geworden. |
  3. Toegevende zinnen met (ook) al, bijv.:
    12Je zus |zakt| steeds weer | |, al is ze niet dom.
    Behalve de uitloopplaats heeft zo'n zin als plaatsingsmogelijkheden nog het middenstuk en de aanloop, respectievelijk bijv. de zinnen 13 en 14:
    13Je zus |zakt|, al is ze niet dom, toch steeds weer | |.
    14Al is je zus niet dom, ze |zakt| toch steeds weer | |.
    In het laatste geval kan de toegevende zin meteen gevolgd worden door het woord toch, dat een tegenstelling uitdrukt. Toch staat dan op de eerste zinsplaats in plaats van het onderwerp (hier: ze). Vergelijk met 14:
    15Al is je zus niet dom, toch |zakt| ze steeds weer | |.
    Een toegevende zin die door (al)hoewel of ofschoon ingeleid wordt, kan wel op de eerste zinsplaats staan:
    16Hoewel je zus niet dom is |zakt| ze steeds weer | |.
    Toegevende zinnen zonder voegwoord zijn uitgesloten op de eerste zinsplaats. Ze kunnen enkel in de aanloop voorkomen. Voorbeelden:
    17Hij mag dan nog zo knap zijn, van lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten. |
    18Laat hij nog zo knap zijn, van lesgeven |heeft| hij niet veel kaas |gegeten. |
    19Was de reclame groot, toch |bleef| het succes maar klein.formeel
    Hetzelfde geldt voor soortgelijke zinnen die een (meestal temporele) tegenstelling uitdrukken, zoals:
    20Waren er vroeger veel bomen , nu |begint| het landschap er vrij kaal uit |te zien. |formeel
  4. Zinnen zonder voegwoord die een veronderstelling of een voorwaarde uitdrukken, kunnen niet op de eerste zinsplaats, maar alleen in de aanloop staan (althans in de standaardtaal; zie echter [21·8·3/2]), bijv.:
    21Komt hij morgen niet, dan |moet| hij het toch even |laten weten. |
    22Had hij maar naar ons geluisterd, hij |zou| nu niet zo in moeilijkheden |zitten. |
    Zinnen met mocht kunnen evenwel behalve in de aanloop ook in het middenstuk of op de laatste zinsplaats staan, bijv.:
    23aMocht je tien uur te vroeg vinden, dan |wil| ik ook wel om half elf |vertrekken. |
    bIk |wil|, mocht je tien uur te vroeg vinden, ook wel om half elf |vertrekken.|
    cIk |wil| ook wel om half elf |vertrekken|, mocht je tien uur te vroeg vinden.
  5. Dat- en of-zinnen als voorzetselvoorwerp; deze staan steeds op de laatste zinsplaats of in de aanloop, bijv.:
    24aJullie |kunnen| erop |rekenen| dat we niet vóór vijf uur weggaan.
    bDat we niet vóór vijf uur weggaan, daar |kunnen| jullie op |rekenen. |
    25a(Hij zei) |dat| hij er bang voor |was| dat hij het niet zou halen.
    bDat hij het niet zou halen, daar |was| hij bang voor.
  6. Betrekkelijke bijzinnen waarvan het antecedent een element is dat een of andere hoedanigheid aanduidt (zie [5·8·5·5/i2]), staan in de uitloop of - als een soort tussenzin - in het middenstuk. Voorbeelden:
    26aHij |wil| advocaat |worden|, wat ik nooit zou willen.
    bHij |wil|, wat ik nooit zou willen, advocaat |worden|.
    27aDa Costa |was| bij uitnemendheid hartstochtelijk | |, wat het Hollandse karakter niet is.
    bDa Costa |was| - wat het Hollandse karakter niet is - bij uitnemendheid hartstochtelijk | |.
    Is het antecedent een hele zin (zie [5·8·5·5/i3] evenals [5·8·5·7/i]), dan kan de betrekkelijke bijzin ofwel in de uitloop, ofwel in de aanloop staan. De eerste mogelijkheid is gewoner. Voorbeelden:
    28aUiteindelijk |heeft| hij toch nog zijn excuses aan|geboden|, wat zeer te prijzen is.
    b(En) wat zeer te prijzen is, hij |heeft| uiteindelijk toch nog zijn excuses aan|geboden|.
    29Ze |blijven| maar |beweren| dat die minister corrupt is, wat nooit bewezen is.
    30Hans |had| tijdens de examens zijn been |gebroken|, waardoor hij een heel jaar verloor.
    In gevallen als 26 t/m 30 kan de relatieve zin dus, in afwijking van de algemene regel, vóór z'n antecedent staan. Een zin als 30 vertoont naar de betekenis overigens verwantschap met de onder [1] genoemde gevolgzinnen.
    Opmerking
    Verdieping
    Opmerking
    Betrekkelijke bijzinnen met expliciet antecedent kunnen alleen op de eerste zinsplaats staan als ze nabepaling in een naamwoordelijke constituent, dus zinsdeelstuk zijn. Ze staan daar dan dus samen met hun antecedent, bijv.:
    iHet kind dat je daar ziet zitten |kan| nog altijd niet |lezen of schrijven. |
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links