Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.1.2 Taalvariatie
De uitspraak van de klanken van het Nederlands is onderhevig aan synchrone en diachrone variatie. Synchrone taalvariatie betekent dat er zich op één bepaald moment in de tijd variatie tussen verschillende taalvarianten voordoet. De bronnen van variatie kunnen daarbij verschillen, zo is er bijvoorbeeld geografische, sociale, etnische, of stilistische variatie mogelijk. Diachrone taalvariatie gaat over taalveranderingen in de loop van de tijd. Op het gebied van de fonologie doen er zich bijvoorbeeld klankveranderingen voor. Klankveranderingen worden soms weerspiegeld in (synchrone) geografische variatie, bijvoorbeeld als er zich in het ene gebied al een verandering voltrokken heeft waardoor men de nieuwe variant gebruikt, terwijl in een andere regio nog de oudere variant wordt gebruikt. De bronnen van klankveranderingen kunnen net als bij synchrone variatie verschillen. In deze paragraaf komen zowel synchrone als diachrone taalvariatie aan bod; de focus ligt op geografische en sociale variatie.
De variatie die hier beschreven wordt, betreft variatie binnen de standaardtaal; dialectvariatie komt niet aan bod. In de meest gangbare interpretatie van Standaardnederlands wordt een zekere mate van regionale variatie geaccepteerd, voor zover deze variatie de onderlinge verstaanbaarheid niet in het gedrang brengt.
Zie Smakman (2006: 48, 283-284); Grondelaers & Van Hout (2011: 202, 212); Pinget, Rotteveel & Van de Velde (2014).
In Europa is er tegenwoordig sprake van diaglossie: dit betekent dat er verschillende lagen zijn tussen de traditionele dialecten enerzijds en de standaardtaal anderzijds, zoals regiolecten en regionale standaarden.
Zie Auer & Hinskens (1996); Auer (2005: 22); Grondelaers & Van Hout (2011: 205, 230-231); Geeraerts & Van de Velde (2013); Hinskens & Taeldeman 2013a, 2013b: 144-147.
Deze verschillende repertoires worden weergegeven in Figuur 1. De fonologische variatie die hier besproken wordt, is de variatie die zich voordoet in de twee bovenste lagen: de standaardtaal en regionale standaarden. Deze variatie omvat onder andere noord-zuidverschillen, typische uitspraakkenmerken van het Surinaams Nederlands), en supra-regionale kenmerken in variëteiten als het zogenaamde Poldernederlands en de tussentaal in Vlaanderen.
Figuur 1. Repertoires bij diaglossie (Bron: Auer 2011:491)
Verder lezen
Literatuur
Van de Velde (1996), Auer & Hinskens (1996), Van de Velde & Van Hout (2001), Verstraeten & Van de Velde (2001), Kissine, Van de Velde & Van Hout (2003), Auer (2005), Hinskens & Taeldeman (2013a), Hinskens & Taeldeman (2013b), Verhoeven (2005), Smakman (2006), Jacobi (2009), Tops (2009), Van de Velde et al. (2010), Van Heuven & Van de Velde (2010), Auer (2011), Grondelaers & Van Hout (2011), Pinget, Rotteveel & van de Velde (2014), Pinget (2015), Sebregts (2015), Grondelaers,Van Hout & Van Gent (2016), Grondelaers, Delarue & De Sutter (2017), Grondelaers, Van Hout & Van Gent (2018).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Kathy Rys november 2020
    Interessante links