Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
2.2.2 Zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden
Verder lezen
1
Semantisch kan een zelfstandig werkwoord gekarakteriseerd worden als een woord dat op zichzelf de betekeniskern van een werkwoordelijk gezegde vormt; een hulpwerkwoord is dan een nadere werkwoordelijke bepaling bij die betekeniskern. In een werkwoordelijk gezegde als in 1 drukt lezen uit 'waar het om gaat', kunnen het in staat zijn van de door het onderwerp aangeduide persoon om te lezen, terwijl heeft aangeeft dat het kunnen lezen op het moment van spreken 'voorbij' (voltooid) is.
1Erika heeft het onduidelijke handschrift toch kunnen lezen.
Over het algemeen rekent men de volgende werkwoorden tot de hulpwerkwoorden:
  • hebben , zijn en zullen (hulpwerkwoorden van tijd);
  • worden (hulpwerkwoord van het passief);
  • kunnen , moeten , (be) hoeven, mogen , willen , zullen ; blijken , lijken , schijnen , heten , dunken , voorkomen en toeschijnen (hulpwerkwoorden van modaliteit);
  • doen en laten (hulpwerkwoorden van causaliteit).
In een ruime interpretatie kunnen evenwel ook andere werkwoorden onder de definitie van 'hulpwerkwoord' vallen, zo bijv. ook zitten en blijven in het werkwoordelijk gezegde in 2:
2Erika had liever willen blijven zitten lezen.
In deze zin drukt zitten de houding tijdens het lezen uit, blijven het voortduren van het zitten lezen, willen de gerichtheid van de door het onderwerp aangeduide persoon op het blijven zitten lezen, terwijl had de hele leessituatie als voltooid verleden voorstelt en bovendien in de niet-werkelijkheid plaatst.
Een ruime interpretatie van het begrip 'hulpwerkwoord' maakt het mogelijk allerlei soms heel verschillende werkwoordelijke verbindingen op een uniforme wijze te beschrijven. In de bedoelde interpretatie hanteren wij in de ANS waar nodig de term ' groepsvormend werkwoord' (zie 18.5.1.1, sectie 1). De term 'hulpwerkwoord' reserveren we in aansluiting bij andere grammatica's voor de hierboven genoemde categorieën.
Syntactisch zijn zelfstandig werkwoord en groepsvormend werkwoord (c.q. hulpwerkwoord) in de meeste (maar niet in alle) gevallen eveneens van elkaar te onderscheiden, en wel op de volgende wijze:
  • in een werkwoordelijk gezegde komt (afgezien van samentrekking) altijd één en niet meer dan één zelfstandig werkwoord voor;
  • bestaat het werkwoordelijk gezegde uit twee werkwoorden waarvan er één persoonsvorm is, dan is het werkwoord dat niet als persoonsvorm voorkomt het zelfstandig werkwoord;
  • bestaat het werkwoordelijk gezegde uit twee of meer werkwoorden waarvan er één de vorm van een deelwoord heeft, dan is in de regel dat werkwoord het zelfstandig werkwoord (maar zie de Opmerking verderop);
  • bestaat het werkwoordelijk gezegde uit meer dan twee werkwoorden zonder dat er een deelwoord in voorkomt, dan is meestal het werkwoord dat (in de vorm van een infinitief) het meest rechts staat, het zelfstandig werkwoord; hetzelfde geldt voor werkwoordelijke gezegdes met twee of meer infinitieven in beknopte bijzinnen.
Dit alles is te illustreren met de volgende voorbeelden, waarin het werkwoord lezen (in verschillende vormen) steeds het zelfstandige werkwoord is en de overige werkwoorden dus groepsvormende werkwoorden zijn:
3Erika leest een artikel.
4Erika gaat een artikel lezen.
5Erika heeft een artikel gelezen.
6Dit artikel is nog door niemand gelezen.
7Dit artikel kan nog door niemand gelezen zijn.
8Erika zou dat artikel graag hebben willen lezen.
9(Ze moest haar bril opzetten) om de kleine lettertjes te kunnen lezen.
In een werkwoordelijk gezegde dat uit meer dan twee werkwoorden samengesteld is, staat het zelfstandig werkwoord in infinitiefvorm echter niet altijd het meest rechts [18.5.7.4]. In die gevallen kan dus alleen op grond van de betekenis worden uitgemaakt welk werkwoord het zelfstandige werkwoord is. In 10 is dat (te) verwerken:
10Ze zullen nog heel wat teleurstellingen te verwerken krijgen.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Er zijn werkwoordelijke gezegdes van meer dan twee werkwoorden waarin het werkwoord dat als deelwoord optreedt niet het zelfstandig werkwoord is, bijv.:
iZe hebben heel wat teleurstellingen te verwerken gekregen.
Hierin is het zelfstandig werkwoord (te) verwerken. Het is net als in 10 afhankelijk van het groepsvormende werkwoord krijgen, dat hier echter zelf afhankelijk is van het (groepsvormende) hulpwerkwoord van tijd heeft en daardoor in dit geval in de vorm van een deelwoord verschijnt. Zie voor soortgelijke gevallen18.5.2.1/ii, sectie 2a, voor andere gevallen [18.5.1.2/[c]].
Er dient op gewezen te worden, dat de vraag of een bepaald werkwoord een zelfstandig werkwoord of een hulpwerkwoord is, afhankelijk is van het gebruik in een zin. Het gaat dus niet om inherente eigenschappen van de betrokken werkwoorden. In de praktijk is het wel zo, dat verreweg de meeste Nederlandse werkwoorden alleen als zelfstandig werkwoord voorkomen. Van de groep werkwoorden die als groepsvormend werkwoord (c.q. hulpwerkwoord) gebruikt kunnen worden, kan het merendeel echter óók als zelfstandig werkwoord fungeren. Zo is in de volgende voorbeelden hetzelfde (gecursiveerde) werkwoord in de (a) -zin een groepsvormend werkwoord en in de (b) -zin een zelfstandig werkwoord:
11aJanneke heeft een nieuwe fiets gekregen.
bJanneke heeft een nieuwe fiets. (= 'bezit')
12aHendrik is naar huis gegaan.
bHendrik is thuis. (= 'bevindt zich')
13aErika gaat een artikel lezen.
bErika gaat naar het buitenland. (= 'begeeft zich')
2
Koppelwerkwoorden komen voor in naamwoordelijke gezegdes. Semantisch onderscheiden ze zich duidelijk van zelfstandige werkwoorden: ze vormen niet op zichzelf, maar samen met een naamwoordelijk deel de betekeniskern van een naamwoordelijk gezegde. Zo is in 14 wordt koppelwerkwoord en dokter naamwoordelijk deel:
14Frans wordt dokter.
Ook in een naamwoordelijk gezegde kunnen groepsvormende werkwoorden (hulpwerkwoorden) voorkomen; die fungeren dan, evenals in het werkwoordelijk gezegde, als nadere bepaling bij de betekeniskern. In 15, waar heeft dokter willen worden het naamwoordelijk gezegde is, drukt dokter worden uit 'waar het om gaat', willen de gerichtheid van de door het onderwerp aangeduide persoon op het dokter worden, terwijl heeft onder andere aangeeft dat deze gerichtheid begonnen is voor het spreekmoment:
15Frans heeft altijd al dokter willen worden.
Syntactisch gedragen koppelwerkwoorden zich in hun verhouding tot de groepsvormende werkwoorden (hulpwerkwoorden) als zelfstandige werkwoorden (zie onder 1). Voorbeelden (het koppelwerkwoord is gecursiveerd) - 14 is hier herhaald als 16:
16Frans wordt dokter.
17Frans wil dokter worden.
18Frans is dokter geworden.
Uit 15 is al gebleken dat het koppelwerkwoord in een naamwoordelijk gezegde dat meer dan twee werkwoorden en geen deelwoord bevat, het meest rechts staat.
Als koppelwerkwoorden kunnen fungeren:
  • zijn , worden en een aantal betekenisequivalenten van deze werkwoorden;
  • blijven ;
  • blijken , dunken , heten , lijken , schijnen , voorkomen .
Enkele voorbeelden (de naamwoordelijke gezegdes zijn gecursiveerd):
19Die meneer is onze nieuwe president-curator.
20We worden allemaal een dagje ouder.
21Het valt me zwaar dit te moeten zeggen. (vallen = 'zijn')
22Deze jas gaat kapot aan de kraag. (gaan = 'worden')
23Het oude bootje raakte al gauw lek. (raken = 'worden')
24Hij blijft altijd opgewekt.
25Het nieuws bleek nog aan bijna niemand bekend.
26Hij heet Pieter en hij lijkt heel aardig.
27Hij heet een goed organisator.
Meer informatie over de koppelwerkwoorden, met name over de gebruiksmogelijkheden van de betekenisequivalenten van zijn en worden, is te vinden onder de behandeling van het naamwoordelijk gezegde(zie 20.1.3.2, sectie 2).
Wat aan het eind van 1 is opgemerkt over zelfstandige werkwoorden en groepsvormende werkwoorden (hulpwerkwoorden), geldt ook voor koppelwerkwoorden. Werkwoorden die als koppelwerkwoord gebruikt kunnen worden, kunnen ook andere functies hebben. Enkele voorbeelden met de werkwoorden die in de hierboven gegeven voorbeelden als koppelwerkwoord gebruikt zijn (vergelijk met de zinnen 21, 24 en 27):
28Het gewicht valt met een zware bons op de grond. (vallen is zelfstandig werkwoord)
29Hij blijft altijd opgewekt kijken. (blijven is groepsvormend werkwoord)
30Hij blijft altijd erg lang. (blijven is zelfstandig werkwoord)
31Hij heet een goed organisator te zijn. (heten is groepsvormend werkwoord)
Zie voor blijken enz. ook [18.5.4.5/4].
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links