Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.2.2.1 Zelfstandige zinnen
Verder lezen
1
Hierbij zijn zinnen met een niet-vast eerste element en zinnen met een vast eerste element te onderscheiden. Tot de zinnen zonder vast eerste element behoren:
  • mededelende zinnen, bijv.:
    1Sinds vier jaar |studeert| Francine in Gent.
    2Gisteravond |heeft| hij eindelijk z'n ongelijk toe|gegeven. |
    3Die Frank |vond| ze toch maar een rare kerel.
    4Hij |maakte| de groente schoon.
  • vragen waarop het antwoord gesuggereerd wordt, zoals:
    5Wim |gaat| dus niet mee | | met jullie?
    6U |spreekt| toch Duits | |, (niet)?
    7Hij |komt| morgenavond toch niet | |, (hè)?
    8Jij |hebt| het zeker niet |gedaan|, (hè)?
    Deze zinnen zijn een speciaal soort ja/nee-vragen (zie [23·3·2/2]). Ja/nee-vragen behoren normaal tot zinstype 1b (zie [21·2·3·1]).
  • wenszinnen met de conjunctief presens, van het type:
    9Het |ga| je goed.
    10Het |zij| zo.
    11Lang |leve| de jubilaris!
2
Een vast eerste element hebben:
  • vraagwoordvragen, bijv.:
    12Hoe |moet| je die spraakkunst |gebruiken? |
    13Wat voor weer |is| het?
    14Wanneer |komt| je vriendin?
    15Waarom |heb | je me dat niet eerder |verteld? |
    16Wie |heeft| dat |gedaan?|
    17Met welke trein |wilde| oma |vertrekken? |
    Zoals de voorbeelden 13 en 17 laten zien, kan het vragende element ook uit meer dan één woord bestaan. De term 'vraagwoordvraag' is dan ook een abstractie.
    Tot dit vormtype zijn ook zogenaamde retorische vragen te rekenen (zie [23·2/2]). Voorbeelden:
    18Wie |doet| zoiets nu?
    19Wie |houdt| er niet van de natuur?
    Zie ook zinstype 1b (zie [21·2·3·1]).
  • uitroepende zinnen die met een uitroepend voornaamwoord beginnen, bijv.:
    20Wat |heeft| hij het keurig voor mekaar |gebracht!|
    21Wat |is| het hier weer drukkend!
    Vergelijk verder ook met zinstype 1b (zie [21·2·3·1]) en zinstype 2 (zie [21·2·4·2]).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links