Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.4.5.1 De allomorfie van het verledentijds- en voltooiddeelwoordsuffix
Het verledentijdssuffix van regelmatige werkwoorden is -te als de onderliggende vorm van de stam uitgaat op een stemloze obstruent, en anders -de. Dit is de bekende 't kofschip-regel. Deze regel, een ezelsbruggetje, noemt de medeklinkers (die in 't kofschip) die een verledentijdssuffix -te vereisen. De regel wordt ook wel als de ’t fokschaap-regel aangeduid. We geven hieronder voorbeelden van werkwoorden met een stam-finale obstruent:
Tabel 1. Het verledentijdssuffix bij werkwoordstammen eindigend op een obstruent
werkwoordstam onderliggende vorm verledentijdsvorm fonetische vorm
klap klɑp klap-te klɑptə
zet zɛt zet-te zɛtə
haak hak haak-te haktə
maf mɑf maf-te mɑftə
vis vIs vis-te vIstə
lach lɑx lach-te lɑxtə
krab krɑb krab-de krɑbdə
red rɛd red-de rɛdə
kloof klov kloof-de klovdə
raas raz raas-de razdə
leg lɛɣ leg-de lɛɣdə
Men zou kunnen overwegen om als de onderliggende vorm van het verledentijdssuffix aan te nemen. De variant -te zou dan kunnen worden afgeleid door een regel van progressieve assimilatie van stem: de d past zich aan het kenmerk [-stem] van de voorafgaande obstruent aan, en wordt dus een t. Het probleem van deze analyse is dat in het Nederlands normaliter juist de eerste obstruent zich aanpast aan de volgende stemhebbende plofklank, zoals in afdak ɑvdɑk. We zouden dan verledentijdsvormen krijgen als *klabde en *lagde in plaats van de correcte vormen klapte en lachte. De keuze van verledentijdssuffix kan dus geen kwestie zijn van de reguliere Assimilatie van stem, waarvan de richting omgekeerd is. Als we hier toch een fonologische regel van progressieve stemassimilatie willen aannemen, dan moet het een regel zijn die wordt geconditioneerd door het morfologisch kenmerk [verleden tijd].
Dezelfde situatie doet zich voor bij voltooide deelwoorden die gevormd worden op basis van de stam van het werkwoord door toevoeging van het prefix ge- en het suffix -t of -d. De keuze tussen -d of -t als suffix volgt ook uit de ’t kofschip-regel. Het suffix -d wordt aan het eind van een woord uiteraard als t gerealiseerd krachtens Finale Verscherping. Een voorafgaande obstruent wordt dan ook stemloos, zoals in getobd ɣətɔpt, waar ook de b stemloos wordt. Als het voltooid deelwoord wordt gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, wordt het voor een zelfstandig naamwoord verbogen met het suffix -e, zoals in de woordgroep moe getobde mensen. Hier blijft de b stemhebbend: ɣətɔbdə.
Zie Zonneveld (2007) en de daar genoemde literatuur.
Verder lezen
De rol van analogie bij verleden-tijdsvormen
De ’t kofschip-regel maakt gebruik van abstracte onderliggende vormen. Zo wordt de stam van het werkwoord krabben weergegeven als /krɑb/, en daarom krijgen we -de als verledentijdssuffix. Als deze stam als persoonsvorm wordt gebruikt, is de fonetische vorm krɑp, en dus is krɑb een abstracte onderliggende vorm die in isolatie niet gehoord wordt. Er is ook een andere analyse mogelijk, zonder abstracte fonologische vormen. In zo’n analyse wordt de fonetische vorm van woordvormen en afgeleide woorden bepaald door analogie met bestaande woorden. Een argument voor deze analogische benadering wordt gegeven in Ernestus & Baayen (2004). Sommige taalgebruikers maken namelijk afwijkende verleden-tijdsvormen zoals krɑptə voor het werkwoord krabben, en tɔptə voor het werkwoord tobben. Dit kan verklaard worden doordat taalgebruikers kijken naar werkwoordsvormen met een vergelijkbare fonologische bouw. Na een stam met een ongespannen klinker krijg je vrijwel altijd -te, zoals in kapte en kopte. Vormen als krabde en tobde zijn dus uitzonderlijk. Door analogie kunnen zo ook krapte en topte gemaakt worden. Dit veronderstelt dat in het lexicon woorden door paradigmatische betrekkingen met elkaar verbonden zijn.
De fonologische vorm van het verledentijdssuffix
De stamfinale obstruenten van de verledentijdsvormen in Tabel 1 en die in verbogen voltooide deelwoorden ondergaan geen Finale Verscherping, ook al staan ze in een coda. Dit is te verklaren door aan te nemen dat de coronale obstruent van het verledentijdssuffix onderliggend niet gespecificeerd is voor het kenmerk [stem]. Dit deels ongespecificeerde segment kan worden weergegeven door de letter D. Men noemt dergelijke niet voor alle kenmerken gespecificeerde klanken archifonemen. Het kenmerk [+stem] van de beginconsonant van het verledentijdssuffix kan verkregen worden door spreiding van dit kenmerk vanaf de slotconsonant van de stam (Booij 1995: 62):
Figuur 1. Het kenmerk [+stem]
Omdat het kenmerk [+stem] zich niet uitsluitend in een coda bevindt, maar ook in een aanzet, is het niet onderhevig aan Finale Verscherping die vereist dat de obstruent zich alleen in een coda bevindt. Het optreden van het kenmerk [+stem] bij een obstruent in een coda wordt dan dus gerechtvaardigd door de verbinding van de obstruent met een aanzet.
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij juli 2020
    Interessante links