Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.2.4 De relatie tussen prosodische en morfologische structuur
Prosodische en fonotactische eigenschappen van morfemen kunnen te maken hebben met hun syntactische of morfologische status. Zo blijkt de morfologische gebondenheid van affixen samen te gaan met een aantal specifieke fonologische eigenschappen. Affixen hoeven immers niet zelfstandig uitspreekbaar te zijn.
Een voorbeeld van een dergelijke fonologische eigenschap is dat een aantal suffixen alleen uit consonanten of consonantcombinaties bestaan, te weten s, t, d of st. De volgende voorbeelden illustreren het gebruik van deze klanken in een aantal suffixen:
Tabel 1.
s vogel-s, (iets) goed-s
t werk-t, gewerk-t
d gekalmeer-d, deug-d
st groot-st, gun-st
Het feit dat deze suffixen geen klinker bevatten, impliceert dat ze niet zelfstandig als lettergreep en dus niet zelfstandig als woord uitspreekbaar zijn. Dit is geen probleem, omdat het gebonden morfemen zijn, die altijd gecombineerd worden met een basis waarin wel minimaal één klinker voorkomt. Lexicale morfemen kunnen uiteraard niet klinkerloos zijn, omdat ze zelfstandig moeten kunnen optreden. Klinkerloosheid is dus een fonologische manifestatie van de gebondenheid van morfemen.
De consonanten waar het hier om gaat zijn allemaal alveolaire obstruenten zijn, want dit zijn de consonanten die in een appendix kunnen voorkomen. Doordat klinkerloze suffixen alleen s en/of t bevatten, is gegarandeerd dat een gesuffigeerd woord uitspreekbaar blijft. Als bijvoorbeeld het suffix ‘derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd’ van werkwoorden een k zou zijn geweest in plaats van een t, dan zouden talloze persoonsvormen moeilijk uitspreekbaar, en dus niet erg bruikbaar zijn; vergelijk damt met *damk en  zwemt met *zwemk.
Prefixen kunnen niet klinkerloos zijn. Dat komt doordat we aan het begin van een woord niet allerlei medeklinkers aan elkaar kunnen plakken. Een prefix b- zou bijvoorbeeld tot moeilijk uitspreekbare woorden leiden, maar ook een prefix t-, omdat het Nederlands geen appendix-positie heeft aan het begin van woorden.
Affixen kunnen verschillen van lexicale morfemen in de wijze waarop ze de lettergreepverdeling van een woord bepalen. In een woord als werker heeft de morfologische bouw werk-er geen invloed op de lettergreepverdeling: wer.ker. In dat opzicht is werker niet anders dan een ongeleed woord als erker. Maar voor woorden geldt dat ze een zelfstandig domein van lettergreepverdeling vormen, ook als ze deel uitmaken van een samenstelling. Een samenstelling als goudader, die uit twee lexicale morfemen bestaat, wordt dus als volgt in syllaben verdeeld: goud.a.der. Door de invloed van de morfologische structuur op de lettergreepverdeling krijgen we ook minimale paren als bal.kan.ker versus balk.an.ker, twee mogelijke syllabificaties van balkanker, met ieder een eigen ermee corresponderende betekenis. En het woord wetstaal kan worden opgevat als wet-staal of als wets-taal. We zeggen dan ook dat het domein van lettergreepverdeling wordt gevormd door het prosodisch woord, dat niet hoeft samen te vallen met een woord in morfologische zin. Een samenstelling bevat twee of meer prosodische woorden.
De meeste suffixen vormen geen aparte domeinen van lettergreepverdeling, en dus geen zelfstandige prosodische woorden. We illustreren dat hier voor een aantal suffixen met het woord werk als stam. Deze suffixen beginnen allemaal met een klinker:
Tabel 2. Lettergreepverdeling in woorden met suffixen
morfologische bouw lettergreepverdeling
werk-er wer.ker
werk-ing wer.king
werk-en wer.ken
werk-end wer.kend
Als een suffix met een medeklinker begint, valt de lettergreepgrens doorgaans voor die consonant. Dat bewijst dan niet dat het suffix een apart domein van lettergreepverdeling is, want de plaats van de lettergreepgrens volgt vaak al uit het feit dat die medeklinker niet met een andere medeklinker kan worden gecombineerd aan het begin van een lettergreep. Zo is in het woord werkte de lettergreepgrens tussen k en t voorspelbaar zonder dat de interne morfologische grens een rol speelt, omdat het cluster kt nu eenmaal niet een mogelijke aanzet van een Nederlandse lettergreep vormt.
De mogelijke asymmetrie tussen de morfologische en de fonologische bouw van een woord blijkt ook bij woorden die zijn afgeleid van samenstellingen. Het adjectief taalkundig bijvoorbeeld is afgeleid van de samenstelling taalkunde. De morfologische en de fonologische structuur zijn niet gelijkvormig: het suffix -ig is morfologisch gezien aangehecht aan de hele samenstelling taalkunde, maar fonologisch vormt het een eenheid met het tweede lid kunde (de slot-sjwa van dit woord verdwijnt voor de begin-sjwa van het suffix krachtens de regel van Prevocalische sjwa-deletie:
  • morfologisch: [[[taal]###N###[kund]###N### -ig]###A###
  • fonologisch: (tal)###ω### (kʏn.dəɣ)###ω###
Dat verschil tussen de morfologische en fonologische bouw van woorden is mooi te zien in een woordgroep als taal- en letterkundige oefeningen. In deze woordgroep is het gedeelte kundige in taalkundige weggelaten onder identiteit met die zelfde klankreeks in het woord letterkundige; het deel kundige is hier geen morfologische constituent, maar wel een zelfstandig prosodisch woord.
Er is een groep van suffixen die een zelfstandig prosodisch woord vormen. Het gaat om de volgende suffixen:
1-achtig, -baar, -dom, -heid, -ling, -loos, -schap, -zaam
Bij het suffix -achtig is dit gemakkelijk te zien aan de lettergreepverdeling in een woord als draadachtig, vergeleken met die van het woord draderig: draad.ach.tig versus dra.de.rig. In draadachtig staat de slot-/d/ van draad aan het eind van een syllabe, en daarom wordt deze gerealiseerd als een t, terwijl de overeenkomstige medeklinker in draderig als d wordt uitgesproken: dradərəx. Dit contrast vinden we ook in het woord réusachtig ‘als een reus’, waarin de slotconsonant van reus als s wordt gerealiseerd, tegenover reusáchtig ‘geweldig, fantastisch’, dat als een ongeleed woord wordt beklemtoond en gesyllabificeerd, dus als rø.ˈzɑx.təx, waarbij de z van de onderliggende vorm van reus in een aanzet komt te staan, en dus als z wordt uitgesproken.
Zie Booij (1977: 88).
Ook woorden die ongeleed zijn, kunnen uit twee prosodische woorden bestaan. Dit geldt voor woorden als aalmoes, luipaard, oordeel, oorzaak, en maarschalk. Deze woorden hebben hoofdklemtoon op de eerste lettergreep, en een secundaire klemtoon op de tweede lettergreep, waaruit blijkt dat ze uit meer dan een prosodisch woord bestaan. Als ze één prosodisch woord vormden, zouden het trocheeën zijn, zonder een secundaire klemtoon op de tweede lettergreep.
Zie Booij (1999b].
Er zijn ook fonotactische eigenschappen die alleen voor grammaticale morfemen gelden. Deze kunnen bijvoorbeeld met een sjwa beginnen en/of uitsluitend een sjwa als vocaal hebben, anders dan lexicale morfemen. Bij lexicale morfemen is er verschil tussen de verschillende woordklassen. De stam van de meeste ongelede werkwoorden bestaat uit maximaal twee syllaben (b.v. eet, slenter), terwijl dit niet geldt voor ongelede zelfstandige naamwoorden die gemakkelijk uit drie of meer syllaben kunnen bestaan, zoals olifant of chocolade (zie 1.2.5.2).
Verder lezen
De prosodische status van suffixen
Bij suffixen die met een medeklinker beginnen, is het niet zo gemakkelijk te zien of ze aparte domeinen van lettergreepverdeling vormen. In een woord als eetbaar met de lettergreepverdeling eet.baar bijvoorbeeld, zou er ook een lettergreepgrens vallen tussen de t en de b als het suffix -baar geen apart domein van lettergreepverdeling zou vormen. Een lettergreep kan immers niet beginnen met de consonantcluster tb-. Er zijn echter andere redenen om de in (1) genoemde suffixen als zelfstandige prosodische woorden te beschouwen: ze bevatten altijd een volle vocaal, en qua klemtoonpatroon zijn woorden met deze suffixen identiek aan samenstellingen. Zo hebben het zelfstandig naamwoord draagbaar (‘brancard’), een samenstelling, en  het bijvoeglijk naamwoord draagbaar (‘kunnende gedragen worden’), een afgeleid woord, precies dezelfde fonologische bouw, met allebei een hoofdklemtoon op het eerste deel draag, en een bijklemtoon op het tweede deel baar. Fonologisch zijn woorden met dergelijke suffixen dus gelijk aan samenstellingen.
De status van prosodisch woord van deze suffixen blijkt ook uit het verschijnsel dat een deel van een woord kan worden weggelaten onder identiteit met (een deel van) een ander woord. De voorwaarde voor weglating blijkt te zijn dat het weggelaten deel een zelfstandig prosodisch woord is. Daarom kunnen delen van samenstellingen, die ieder op zich een prosodisch woord vormen, weggelaten worden, maar ook sommige suffixen:
Zie Booij (1985).
2ijs- en bruine beren
land- en tuinbouw
storm- en regenachtig
eet- en drinkbaar
christen- en heidendom
oever- en zouteloos
vader- of moederschap
deugd- en volgzaamheid
Maar bij suffixen die geen zelfstandig prosodisch woord vormen kan dat niet:
3*rood- of groenig
*beschimp- en kwelling
*eet- en drinkers
De prosodische status van prefixen
Met betrekking tot lettergreepverdeling is er een asymmetrie te bespeuren tussen prefixen en suffixen. Zoals we zagen, hebben suffixgrenzen, met uitzondering van de in (1) genoemde suffixen, geen effect op de lettergreepverdeling; met prefixgrenzen daarentegen valt in het Nederlands wel altijd een lettergreepgrens samen. Zo valt er in het werkwoord verassen (/vɛrɑsən/ of vərɑsən) een syllabegrens tussen de r en de ɑ, en op die manier kunnen we het verschil horen met het werkwoord verrassen, waarin de r ambisyllabisch wordt gerealiseerd, en dus ook bij de tweede lettergreep hoort.
Verder wordt een sjwa altijd gedeleerd voor een volgende vocaal binnen hetzelfde prosodische woord (bijvoorbeeld: zonde + -aar > zondaar), maar niet over een prefixgrens heen: beademen wordt niet uitgesproken als ba.də.mən, maar als bə.a.də.mən.
Dat impliceert niet dat alle prefixen zelfstandige prosodische woorden zijn. Een prefix als be- bevat alleen een sjwa, en kan dus geen prosodisch woord zijn, omdat deze prosodische constituent minimaal een volle klinker vereist. Een woord als beadem kennen we daarom de volgende prosodische structuur toe:
Figuur 1. Structuur van beadem
Een vergelijkbaar prefix is ge-. In het voltooid deelwoord geademd verdwijnt de sjwa van het prefix niet voor de volgende klinker a. Het prefix ver- heeft voor veel taalgebruikers vər als fonologische vorm, en heeft dan dezelfde prosodische status als be- en ge-: wel een lettergreep, maar niet een prosodisch woord. Een prefix als achter- (als in achterhalen) kan daarentegen wel als zelfstandig prosodisch woord functioneren, omdat het een volle vocaal bevat; het heeft dan ook een eigen, secundaire, klemtoon, op de eerste lettergreep: àchterhálen. Veel prefixen met een volle vocaal kunnen zelfs de hoofdklemtoon van een woord dragen, zoals het prefix on- in ónzin. Dit prefix vormt daarom zelf een prosodisch woord. We merken dit ook bij de verdeling van woorden met on- in lettergrepen: in een woord als onaardig valt een lettergreepgrens direct na de n: on.aar.dig. We zien hier opnieuw een asymmetrie tussen morfologische en prosodische structuur: een prefix als on- is een gebonden morfeem, maar wel een zelfstandig prosodisch woord. Dit geldt ook voor prefixen als ex-, her-, multi-, en super-.
Literatuur
Booij & Rubach (1984), Booij (1985, 1995), Booij & van Santen (2017), Van Oostendorp (2003).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij juli 2020
    Interessante links