Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
3.3.1 Inleiding
Verder lezen
1
Het genus (meervoud: genera) of grammaticaal geslacht (ook wel: woordgeslacht) is een eigenschap van substantieven die bepalend is voor de (vorm van de) lidwoorden, adjectieven en de meeste voornaamwoorden waarmee een enkelvoudig substantief in combinatie optreedt of waardoor het vervangen kan worden. Het gemakkelijkst is dit te demonstreren aan de bepaalde lidwoorden. Het overgrote deel van de substantieven is ófwel alleen met de ófwel alleen met het te combineren. Zo is alleen de ezel en niet het ezeluitgesloten, maar alleen het paard en niet de paarduitgesloten mogelijk. Het belangrijkste genusonderscheid tussen substantieven noemen we dan ook dat tussen 'de-woorden' (zoals ezel) en 'het-woorden' (zoals paard). Vanuit dit standpunt bezien kan men dan ook zeggen dat het Nederlands een tweegenerasysteem heeft [3.3.2].
Naar de-woorden wordt bijv. verwezen met de zelfstandige voornaamwoorden hij, zij, deze en die; ze worden gecombineerd met de bijvoeglijke voornaamwoorden onze en welke en meestal met verbogen adjectieven (vormen op -e) [6.4.1.2], bijv. de koppige ezel, een koppige ezel). Naar het -woorden wordt bijv. verwezen met de zelfstandige voornaamwoorden het, dit en dat; ze worden gecombineerd met de bijvoeglijke voornaamwoorden ons en welk en volgens bepaalde regels met verbogen of niet-verbogen adjectieven (vormen op -e of zonder deze uitgang) [6.4.1.2], bijv. het mooie paard, maar een mooi paard.
2
Het is van belang hier te wijzen op het principiële verschil tussen grammaticaal geslacht en natuurlijk geslacht, dat mensen en dieren in mannelijke en vrouwelijke wezens onderscheidt. Het natuurlijk geslacht kan te merken zijn bij de voornaamwoordelijke aanduiding. Zo blijkt uit die aanduiding bij het staatshoofd in een zin als 1 dat men het over een vrouwelijk staatshoofd heeft:
1Stel dat het staatshoofd hier op bezoek komt, dan moeten we haar toch waardig kunnen ontvangen.
Dat er, wat betreft de keuze van het lidwoord, geen verband bestaat tussen natuurlijk geslacht en grammaticaal geslacht, blijkt uit het feit dat levende wezens ook aangeduid worden door het -woorden: het meisje, het moedertje, het kind, het staatshoofd, het jongetje, het paard en het varken. Voorts worden zowel levende wezens als zaken aangeduid door de -woorden: de koning, de slager, de bruid, de kip, de stoel, de geest, de adem , de bank, de pen.
Interessant is in dit verband de verdeling bij namen voor het vee. Meestal is de algemene benaming een het-woord, evenals de naam voor het (!) jong; er bestaan afzonderlijke de-woorden voor de volwassen mannelijke en vrouwelijke dieren:
het rund - het kalf de stier - de koe
het paard - het veulen de hengst - de merrie
het schaap - het lam de ram - de ooi
het hoen - het kuiken de haan - de hen/de kip
het varken/zwijn - de big de beer - de zeug
3
De de-woorden worden, ook als ze geen levende wezens aanduiden, in de geschreven taal ook wel onderscheiden in mannelijke en vrouwelijke woorden, respectievelijk masculina en feminina. (De het -woorden worden onzijdig (neutrum) genoemd.) Vanuit dit standpunt bezien (vergelijk 1) kan men dus zeggen dat het Nederlands een driegenerasysteem heeft. Ook in de gesproken taal, zij het slechts sporadisch in het noorden, maar algemeen in het zuidelijke deel van het taalgebied, waar de dialecten een driegenerasysteem hebben, wordt dat onderscheid gemaakt. Het onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke substantieven in het algemeen komt elders aan de orde [3.3.3]. De Woordenlijst Nederlandse taal [1995] en de verklarende woordenboeken geven informatie over het genus van individuele woorden.
Het bedoelde onderscheid is alleen van belang voor de verwijzing door middel van persoonlijke en bezittelijke (en in beperkte mate vragende en betrekkelijke) voornaamwoorden, de zogenaamde voornaamwoordelijke aanduiding [5]. Naar mannelijke substantieven wordt verwezen met de voornaamwoorden hij, ie, zijn, z' n, wiens, naar vrouwelijke met zij, ze, haar, (d)' r, wier.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
In ouder Nederlands kwam het verschil tussen mannelijk, vrouwelijk en onzijdig genus ook tot uiting in de vorm van de woorden in genitief en datief. In archaïsche taal en vaste uitdrukkingen zijn hier nog resten van overgebleven. Zo zijn genitieven op -s en datieven op -e (bijv. 's konings, des huizes, ten tijde, van harte [3.4]) vormen van mannelijke en onzijdige substantieven; vrouwelijke substantieven ondergingen in genitief en datief in het algemeen geen vormverandering (bijv. de dag der wraak (naast wraak kwam wrake voor, maar ook buiten genitief en datief), in dier voege).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links