Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.5 Verbonden spraak
Woorden worden normaliter niet 'los', in isolatie, uitgesproken. Ze maken onderdeel uit van taaluitingen, die doorgaans uit meer dan een woord bestaan, al kan een taaluiting in een conversatie ook uit maar één woord bestaan. Spraak waarbij woorden gecombineerd worden in één taaluiting, noemen we verbonden spraak.
In verbonden spraak worden woorden lang niet altijd in hun canonieke vorm uitgesproken. De canonieke vorm is de klankvorm van een woord in zorgvuldige spreekstijl. In het Corpus Gesproken Nederlands  bijvoorbeeld wordt slechts 59,7% van de woorden geproduceerd in hun canonieke vorm. De overige woorden ondergaan allerlei vormen van reductie, zoals weglating van klinkers, weglating van medeklinkers, en reductie van het aantal syllaben. Daarnaast variëren bij medeklinkers soms de mate van stembandtrilling en de articulatieplaats.
Bron: Schuppler et al. (2011: 107).
De fonetische realisatie van een woord wordt mede bepaald door de aard van de uiting waarin dit woord voorkomt. Wie een uiting produceert, gebruikt bijvoorbeeld een bepaalde spreeksnelheid.
Een hoge spreeksnelheid impliceert echter niet automatisch dat er meer gereduceerd wordt; zie Van Son & Pols (1990, 1992). Zie Verhoeven et al. (2004) en Quené (2008) voor het verschil in spreeksnelheid tussen sprekers in Nederland en in Vlaanderen.
Daarnaast is er variatie in de aandacht waarmee men spreekt. In informeel taalgebruik is de fonetische realisatie van woorden meer gereduceerd dan in formeel taalgebruik. Zo is de uitspraak van de eerste klinker van metaal als ə, een geval van Klinkerreductie, afhankelijk van de spreekstijl.
Daarnaast speelt lexicale frequentie een rol: woorden met een relatief hoge gebruiksfrequentie lenen zich eerder voor reductieprocessen dan woorden met een lage gebruiksfrequentie. De i van het hoogfrequente woord minuut bijvoorbeeld wordt eerder als sjwa gerealiseerd dan de i van piloot, en de e van metaal eerder dan de e van metriek. Ook de voorspelbaarheid van een woord speelt een rol: er is meer reductie naarmate een woord in een bepaalde context voorspelbaarder is.
Naast reductieprocessen zijn er ook assimilatieprocessen, die eveneens het productiegemak verhogen. Assimilatieprocessen zoals Assimilatie van stem en Assimilatie van articulatieplaats zorgen ervoor dat opeenvolgende medeklinkers minder van elkaar verschillen, waardoor de articulatie van die klankreeksen gemakkelijker wordt. De fonetische vorm van het woord tandpasta is bijvoorbeeld vaak tɑmpɑsta, met deletie van de t - een stemloos geworden d krachtens Finale Verscherping - gevolgd door assimilatie van articulatieplaats van de n aan de p. De n wordt dan net als de p met de lippen gearticuleerd, met een m als uitkomst.
Veel van deze reductie- en assimilatieprocessen hebben als functie de articulatorische inspanning van de spreker te verminderen. Als opeenvolgende klanken minder verschillen, zijn er minder afzonderlijke articulatiebewegingen nodig. De sjwa is ook gemakkelijker uit te spreken dan een volle vocaal, onder meer omdat de tong hierbij de ‘neutrale’ stand inneemt. Juist in informele contexten, waar de spreker kan aannemen dat de hoorder hem of haar gemakkelijk begrijpt, kan de spreker het zich permitteren om het articulatiegemak te verhogen.
Verder lezen
Klankvariatie in verbonden spraak
Naarmate woordcombinaties sneller en/of informeler gearticuleerd worden, worden processen zoals Assimilatie van stem en Assimilatie van articulatieplaats dus meer toegepast, evenals reductieprocessen. Daarbij speelt ook de gebruiksfrequentie van woordgroepen een rol: er is meer assimilatie en reductie naarmate woordgroepen vaker gebruikt worden, vooral als het vaste combinaties zijn. Zo kan de woordgroep in ieder geval worden uitgesproken als ifɑl, en het woord mogelijk in woordgroepen van het type zo … mogelijk als mok.
In de volgende deelparagrafen bespreken we dit soort processen voor drie gebieden:
Functiewoorden (grammaticale woorden) smelten in verbonden spraak vaak samen met een aangrenzend woord. We kunnen dit illustreren aan het gedrag van het lidwoord het. Het zinnetje Jan kocht het boek bevat een lidwoord dat een zwakke vorm kan hebben, ət: Jan kocht ’t boek. Het lidwoord begint dan met een sjwa. Omdat een syllabe bij voorkeur niet met een sjwa begint, vormt dit lidwoord in zijn zwakke vorm in de uitspraak een eenheid met het voorafgaande woord. Samen vormen ze het prosodisch woord (kɔx.tət)###ω### dat bestaat uit de lettergrepen (kɔx)###σ### en (tət)###σ###. De grammaticale grens tussen de woorden kocht en ’t wordt dus in die uitspraak uitgewist.  Het lidwoord wordt dan enclitisch gebruikt: het lidwoord ‘leunt’ op het vorige woord (de term cliticum komt van het Griekse werkwoord klinein ‘leunen’). We kunnen dit zinnetje dus als volgt in syllaben verdelen (de punt geeft een syllabegrens aan): Jan.koch.tet.boek. Er kan dus asymmetrie zijn tussen de grammaticale en de prosodische structuur van een taaluiting.
Clitisch gebruikte woorden vertonen soms een eigen fonologisch gedrag. Zo kan de d van het voornaamwoord dat als een t worden uitgesproken in Is dat juist? ɪstɑtjœyst, terwijl de d in het consonantcluster sd gewoonlijk wordt uitgesproken als d, zoals in wasdag wɑzdɑx.
In spontane conversatie wordt sd ook wel uitgesproken als st, net zoals in Is dat juist; zie Ernestus et al. 2006).
Het fonologisch gedrag van clitica vormt dus een apart onderwerp in de fonologie van het Nederlands.
Variabele fonologische regels of fonetische processen?
Verdieping
Variabele fonologische regels of fonetische processen?
Fonetische processen die optreden in verbonden spraak worden wel gekarakteriseerd als variabele fonologische regels. Zulke regels werken niet categorisch en kunnen een gradueel effect hebben. De term ‘regel’ wordt door sommige taalkundigen gebruikt als karakterisering van zulke processen om aan te geven dat deze taalspecifiek zijn, en niet het effect van universele mechanismen van articulatie. Ze behoren dus tot de grammatica van een bepaalde taal of taalvariëteit.
Gebruiksfrequentie speelt een rol in de toepassing van variabele fonologische regels in woorden en woordcombinaties. Er zijn veel woordcombinaties met een betrekkelijk hoge gebruiksfrequentie, en die zijn daardoor meer onderhevig aan processen van reductie die de articulatie vereenvoudigen. Ook de voorspelbaarheid van een woord in een bepaalde context heeft effect op de toepassing van zulke regels. Sociale kenmerken van een spreker en diens geografische herkomst kunnen ook een rol spelen in de toepassing van variabele fonologische regels.
Fonetische processen in verbonden spraak zijn vaak geen categorische, maar graduele processen. Ook daarin onderscheiden ze zich van de (verplicht toegepaste) regels van de woordfonologie en de regels voor morfo-lexicale allomorfie. Een voorbeeld is Klinkerreductie, de reductie van een volle klinker in een onbeklemtoonde syllabe tot een sjwa. We zouden dit proces kunnen karakteriseren als een (variabele) fonologische regel die een volle klinker verandert in een sjwa. In dat geval vatten we klinkerreductie op als een categorische regel, die een foneem vervangt door een ander foneem. Als er fonologische contexten zijn die toepassing van een proces blokkeren, kan dit een overweging zijn om deze variatie met een variabele fonologische regel te beschrijven. Het proces van klinkerreductie is bijvoorbeeld onderhevig aan fonologische condities. De klinker mag bijvoorbeeld niet aan het begin van een syllabe staan, of voorafgegaan worden door een h. Uit fonetisch onderzoek blijkt echter dat klinkerreductie in veel gevallen een gradueel proces is, en dat een klinker dus ook wel gereduceerd, maar nog niet helemaal een sjwa kan zijn.
Zie Koopmans-van Beinum (1980, 1982), Van Bergem (1993, 1995a,b).
De interpretatie van zulke fonologische processen als (variabele) fonologische regels is mogelijk omdat onze perceptie van klanken categoriaal is. Als we bijvoorbeeld luisteren naar verschillende realisaties van het woord metaal, dan horen we of metal, of mətal, terwijl de feitelijke uitspraak van de klinker van de eerste syllabe in een concreet geval ergens tussen de e en de ə in zou kunnen zitten.
Zie Van Bergem (1995a,b), Booij (1995: 126), Ernestus (2011: 2118-19, 2012), Kloots (2008).
Door veel onderzoekers van verbonden spraak wordt de term ‘fonologische regel’ gereserveerd voor categoriale regels zoals Finale verscherping. De variaties in de uitspraak van woorden in verbonden spraak worden daarentegen vanwege het graduele karakter beschreven als het resultaat van fonetische processen. De karakterisering van bijvoorbeeld klinkerreductie als een fonetisch proces sluit overigens niet uit dat de fonologische structuur van het woord een rol speelt in de toepassing van zo’n proces. De grammatica van een taal bevat in die benadering naast een fonologische component met fonologische regels een component van fonetische processen. Die processen kunnen gezien worden als taalspecifieke invullingen van universele fonetische processen.
Zie Van Heuven & Hoos (1991), Ernestus (2000, 2011, 2012), Plug (2003), Hinskens et al. (2014), Strycharczuk & Sebregts (2018) voor bespreking van deze kwestie.
Naast algemene patronen van variatie zijn er ook woordspecifieke vormen van. Een voorbeeld is de uitspraak van het als bijwoord gebruikte woord natuurlijk met de betekenis ‘vanzelfsprekend’ als ty:rlək of zelfs ty:k in informeel taalgebruik.
Zie Ernestus (2000), Keune et al. (2005).
Voor dit soort reductie is geen algemene regel te geven, want je kunt bijvoorbeeld het woord natuur, dat ook met de onbeklemtoonde syllabe na begint, niet uitspreken als ty:r. Dat zou je wel verwachten als er een fonologische regel in het spel was. Zulke gereduceerde varianten van een woord worden opgeslagen in het lexicaal geheugen van de taalgebruiker. De gebruikers van het Nederlands weten bijvoorbeeld dat de variant ty:rlək wel kan worden gebruikt als bijwoord, maar niet als bijvoeglijk naamwoord (zoals in *een tuurlijk proces). Toch wordt deze woordspecifieke vorm van reductie wel mede bepaald door het fonologisch systeem van het Nederlands, want juist tweelettergrepige woorden met de vorm van een trochee zijn heel gewoon en frequent, en kunnen beschouwd worden als woorden met een optimale fonetische vorm. De fonetische vorm ty:rlək is zo’n trochee.
Bronnen van informatie over verbonden spraak
Informatie verzamelen over verbonden spraak kan op verschillende manieren. In de eerste plaats kan een fonoloog zelf observeren wat zij of hij hoort. Ook kan gebruik gemaakt worden van observaties van andere fonologen die worden gerapporteerd in de vakliteratuur. Fonologen kunnen daarnaast intuïties hebben over de fonologische welgevormdheid van taaluitingen, met name in hun moedertaal, en deze toetsen aan de intuïties van anderen. Veel oudere fonologische beschrijvingen van het Nederlands zoals Booij (1995), zijn grotendeels gebaseerd op deze bronnen van informatie.
Een andere bron van informatie vormen de resultaten van experimenten, waarin proefpersonen taaluitingen produceren of beluisteren.
Een heel belangrijke bron van informatie over verbonden spraak zijn opnames en transcripties van gesproken tekst, die vaak gemaakt worden voor dialectologisch of sociolinguïstisch onderzoek. Je kunt als fonoloog zelf opnames beluisteren en transcriberen. In sommige corpora is de uitspraak van woorden van een aantal sprekers getranscribeerd door meer dan één persoon, om zo de betrouwbaarheid van de transcripties te vergroten. Dit geldt voor een deel van het Corpus Gesproken Nederlands .
Zie Oostdijk (2000, 2005) en Van Eerten (2007) voor informatie over dit corpus.
Men kan deze transcripties systematisch vergelijken met de canonieke fonologische vormen van woorden zoals die worden gegeven in woordenboeken met uitspraakinformatie. Op die manier krijgen we een betrouwbaar beeld van de kenmerken van verbonden spraak, doordat de informatie is gebaseerd op een groot aantal sprekers, met verschillende spreekstijlen, en met meer dan een beoordelaar. Een voorbeeld van dit soort analyses is Coussé et al. (2007), een analyse van de uitspraak van klinkers in het Corpus Gesproken Nederlands. In Kloots et al. (2009) vinden we een analyse van sjwa-invoeging in een corpus met spontaan gesproken Standaardnederlands van 80 Nederlandse en 80 Belgische leraren Nederlands. Schuppler et al. (2011) is een analyse van het Ernestus Corpus , een corpus gesproken taal voor het onderzoek in Ernestus (2000), gemaakt met behulp van een automatische spraakherkenner, en dus niet door middel van handmatige transcriptie.
Het bepalen van de juiste transcriptie van een woord is niet altijd eenvoudig. Ook getrainde transcribenten zijn het niet altijd met elkaar eens over wat ze horen. Zie voor een bespreking van deze problemen Cucchiarini (1993) en Ernestus & Baayen (2011).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij oktober 2020 De verantwoordelijke redacteuren waren Geert Booij en Kathy Rys. Een tussentijdse versie van dit hoofdstukdeel werd van commentaar voorzien door Mirjam Ernestus, Frans Hinskens, Hanne Kloots, en Anne-France-Pinget. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van dit hoofdstukdeel berust bij Geert Booij en Kathy Rys.
    Interessante links