Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
1.6.1 De klemtoon van ongelede woorden
In ongelede woorden kan de positie van de hoofdklemtoon voor een deel voorspeld worden op basis van de klankopbouw van de syllaben. Een algemene beperking is dat een syllabe met een sjwa als klinker nooit klemtoon kan krijgen (1a).
Uitzonderingen doen zich voor bij gebruik van contrastief accent op lidwoorden, zoals in de zin Dit is dé winkel voor lekkere kaas, en in een uitdrukking als Dit is jé van het.
In tweelettergrepige woorden valt de klemtoon meestal op de voorlaatste syllabe, zoals in de woorden (1):
1aádder, áppel, dréumes
bólie, tóga, tóko
cátol, mótor, páling
In de woorden (1a) kan de klemtoon alleen op de voorlaatste syllabe vallen, omdat de laatste syllabe een sjwa bevat, die nooit klemtoon kan dragen. De woorden (1b) gaan uit op een klinker, die in (1c) op een medeklinker. Dat maakt blijkbaar geen verschil voor de plaats van de klemtoon. Uitzonderingen op deze regelmaat vormen uitheemse tweelettergrepige woorden, voornamelijk ontleend aan het Frans. Die woorden hebben, net als in het Frans, klemtoon op de laatste syllabe:
2buréau, cadéau, chemíé, japón, kanón, troféé
De taalgebruiker moet dus onthouden welke tweelettergrepige woorden afwijkend zijn, en woordfinale klemtoon hebben.
We zouden die woorden in een grammaticale beschrijving daarom kunnen voorzien van een diakritisch kenmerk [+Eindklemtoon], dat dan een regel in werking stelt die klemtoon toekent aan de laatste syllabe. Een andere mogelijkheid is klemtoon deel te laten uit maken van de fonologische representatie van zulke woorden in het lexicon.
Er zijn veel meerlettergrepige woorden waarvan je aan de klankvorm kunt zien waar deze de hoofdklemtoon krijgen. De regelmatigheden kunnen worden geformuleerd met behulp van het begrip syllabegewicht. We kunnen drie typen syllaben onderscheiden:
3Syllabegewicht
lichte syllabe: de syllabe eindigt op een klinker;
zware syllabe: de syllabe eindigt op een ongespannen klinker + 1 medeklinker;
superzware syllabe: de syllabe eindigt op een gespannen klinker +1 medeklinker, of een ongespannen klinker + 2 medeklinkers.
Dit onderscheid in syllabegewicht wordt ook wel omschreven met behulp van het begrip mora: elke klinker en medeklinker in het rijm van een syllabe telt als een mora: een lichte syllabe bevat dus 1 mora, een zware 2, en een superzware 3 mora’s.
Superzware syllaben, die alleen aan het eind van een (ongeleed) woord voorkomen, trekken klemtoon aan (4a, b). Syllaben met een tweeklank als klinker trekken doorgaans ook klemtoon aan zonder een erop volgende medeklinker (4c).
4abaláns, concért, contánt, contént; consulént, dirigént, exponént
bkanáál, garéél, rióól, servíés, tapíjt; reáál, kannibáál, vitrióól
ccacáo, fautéuil, galéí, kandíj; averíj, batteríj, galeríj;
Bij woorden van drie of meer syllaben die eindigen op een zware syllabe valt de klemtoon niet altijd op de voorlaatste syllabe: de klemtoon valt op de voor-voorlaatste syllabe als de voorlaatste syllabe licht is. Deze regel voorspelt het verschil in positie van de hoofdklemtoon tussen de woorden (5a) en (5b). In de woorden (5a) is de voorlaatste syllabe zwaar, in de woorden (5b) is deze licht.
5aAgamémnon, Dubróvnik, eléktron, rododéndron
bálfabet, lúcifer, Pákistan, pósitron
De regel voor hoofdklemtoon kan dus als volgt geformuleerd worden:
6Regel voor hoofdklemtoon
In meerlettergrepige woorden valt de hoofdklemtoon op de voorlaatste syllabe (tenzij deze een sjwa bevat), maar:
- op de laatste syllabe als die superzwaar is, of een tweeklank bevat;
- op de voor-voorlaatste syllabe als de laatste zwaar is, en de voorlaatste licht.
Bij woorden die eindigen op een zware syllabe is er variatie in de plaats van de klemtoon, zoals de volgende voorbeelden laten zien:
7akwintét, kabinét, panadól, sterilón, tostesterón
beléktron, néutron, sísal, tóékan
De woorden in (7a) zullen als uitzondering op de Regel voor hoofdklemtoon moeten worden beschouwd want hun laatste syllabe is niet superzwaar.
Ze kunnen gemarkeerd worden als [+Eindklemtoon], net zoals de woorden (2), of een specificatie hebben voor klemtoon in hun lexicale representatie.
Er zijn drie soorten uitzonderingen op de Regel voor hoofdklemtoon. In de eerste plaats zijn er woorden, vaak van Latijnse afkomst, die klemtoon dragen op de voor-voorlaatste syllabe in plaats van de door de regel voorspelde voorlaatste syllabe:
8Woorden met klemtoon op de voor-voorlaatste syllabe
apágina, rétina, vágina
bAmérika, fýsica, lógica
cária, malária, pária
drádio, rátio, pólio
ecámera, chólera, ópera
In het Latijn valt de klemtoon van een woord op de voorlaatste syllabe, behalve als dat een lichte syllabe is. In het Latijn is een syllabe met een i licht, omdat die klinker kort is, en in een open syllabe staat. Daarom valt de klemtoon bij zulke lichte syllaben op de syllabe ervoor. Ze zijn meestal herkenbaar als aan het Latijn ontleende woorden door hun klankvorm: het zijn woorden die eindigen op klankreeksen als -ina, -ika, -ia, of -io. We zouden daarom een regel kunnen aannemen dat van zulke woorden de laatste syllabe extrametrisch is, dat wil zeggen: niet meetelt voor de berekening van de klemtoonpositie. In de woorden in (8e) is de klinker van de voorlaatste syllabe een sjwa, die nooit klemtoon kan krijgen. Daarom valt ook in deze woorden voorspelbaar de klemtoon op de voor-voorlaatste syllabe. Ook in uitheemse namen zoals Cánada, México, en Paramáribo kan de laatste syllabe als extrametrisch beschouwd worden.
Uit het Latijn afkomstige woorden die eindigen op een zware syllabe krijgen klemtoon overeenkomstig de Regel voor hoofdklemtoon:
9acritérium, geránium, gymnásium
bchémicus, lógicus, médicus
Er zijn naast de tweelettergrepige klinkerfinale woorden in (2) ook klinkerfinale woorden met meer dan twee syllaben, waarin de klemtoon niet de door de Regel voor hoofdklemtoon voorspelde positie inneemt, maar op de laatste syllabe valt, woorden als:
10canapé, continú, paraplú, democratíé, individú, psychologíé
Dit zijn weer woorden met een Franse afkomst.
In de woorden in (11a), met een superzware laatste syllabe, heeft de klemtoon de door de Regel voor hoofdklemtoon voorspelde positie, maar in de woorden in (11b), ook woorden met een superzware laatste syllabe, draagt de voor-voorlaatste syllabe de hoofdklemtoon:
11aledikánt, manuscrípt, perkamént
bhóspitaal, léxicon, ólifant
Bij de woorden in (11b) zou de laatste syllabe daarom kunnen worden gemarkeerd als extrametrisch, dat wil zeggen: de laatste syllabe moet buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de plaats van de hoofdklemtoon. De Regel voor hoofdklemtoon zal dan klemtoon toekennen aan de voor-voorlaatste syllabe.
De generalisatie die we kunnen maken over al deze klemtoonpatronen is dat het altijd een van de laatste drie syllaben van een woord is, die de hoofdklemtoon krijgt, en dat we de laatste drie syllaben van een woord moeten bekijken om de locatie van de hoofdklemtoon te bepalen. Dit wordt het driesyllabenvenster voor klemtoon genoemd.
Verder lezen
Klemtoonverschuiving in uitheemse woorden
Dat de Regel voor hoofdklemtoon meestal klemtoon vraagt op de voorlaatste syllabe, zien we ook aan verschuivingen bij sommige sprekers in de locatie van de hoofdklemtoon. Zo wordt het woord nótulen door velen uitgesproken als notúlen. Andere voorbeelden van deze klemtoonverschuiving zijn de volgende woorden:
12bádminton > badmínton
catálogus > catalógus
Hónduras > Hondúras
Hélsinki > Helsínki
Hérakles > HeráklesHerákles is de naam van een voetbalclub uit Almelo.
normáliter > normalíter
página > pagína
De uitspraak van deze woorden met klemtoon op de voorlaatste syllabe is niet overeenkomstig de conventies van de Nederlandse grammatica, en kan daarom als fout worden aangemerkt, maar laat wel mooi zien wat de hoofdregel voor klemtoonplaatsing van de taalgebruiker is.
Klemtoon in geografische namen
De historische afkomst van woorden kan, soms in combinatie met de fonologische bouw ervan, een rol spelen in de positie van de klemtoon. Dat geldt met name voor geografische namen. Omdat in het Germaans oorspronkelijk de klemtoon op de eerste syllabe van een woord lag, hebben veel geografische namen van Germaanse afkomst die beginklemtoon, zoals we zien in de woorden in (13):
13Álkmaar, Ántwerpen, Bétuwe, Véluwe, Gróningen, Lééuwarden, Lóppersum;
Ámerongen, Éverdingen, Wágeningen, Wáteringen
Ook hier zijn bepaalde fonologische patronen te herkennen. Zo hebben geografische namen op -ingen altijd klemtoon aan het woordbegin. Bijzonder is dat in vierlettergrepige woorden als Wageningen de klemtoon buiten het driesyllabenvenster valt. Geografische namen die op -dam eindigen, zoals Amsterdám en Rotterdám hebben daarentegen altijd klemtoon op de laatste syllabe.
Geografische namen kunnen ook uitzonderingen vormen op andere onderdelen van de Regel voor hoofdklemtoon. Zo hebben namen als Móskou, Nássau, en Wárschau klemtoon op de eerste syllabe, ook al bevat de tweede syllabe een tweeklank.
Verlies van geleedheid
Een bron van uitzonderingen op de Regel voor hoofdklemtoon vormen woorden die hun morfologische structuur verloren hebben, en dus als ongeleed worden ervaren, maar klemtoon op de eerste syllabe hebben, net zoals vergelijkbare samenstellingen waarvan het eerste deel eenlettergrepig is:
14ámbacht, brúiloft, éékhoorn, máárschalk, óórdeel, óórzaak
Zulke woorden zijn in het huidige Nederlands geen samenstellingen meer, maar ze kunnen meestal wel opgevat worden als een reeks van twee prosodische woorden, waardoor ze het klemtoonpatroon van samenstellingen krijgen. Zo bestaat een woord als eekhoorn uit de prosodische woorden eek en hoorn. De status van prosodisch woord van het gedeelte eek blijkt ook uit het feit dat de eerste syllabe superzwaar is, wat normaliter alleen kan aan het eind van een woord.
Zie Booij (1999).
Literatuur
Van Lessen Kloeke (1973), Van Marle (1980), Van der Hulst (1984), Kager & Zonneveld (1986), Kager (1989), Trommelen & Zonneveld (1989), Neijt & Van Heuven (1992), Nouveau (1994), Booij (1995, 1999), van Oostendorp (1997), Gussenhoven (2009).
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    3.0 Geert Booij september 2020
    Interessante links