Voorbeeldzoeker x
(typ in het invoerveld om het voorbeeld te wijzigen)
zoek dit voorbeeld in:
ANS

Woordenboeken

  • INT (500 AD - heden)
  • Etymologiebank
  • Woordenlijst.org

Corpora en lexica

  • Corpus Hedendaags Nederlands Clarin login
  • GrETEL (CGN, Lassy)
  • SoNar Clarin login
  • Delpher
  • Celex Clarin login

Overige bronnen

  • Taalportaal
  • Wikipedia
  • Google
  • DBNL geheel / taalkunde
  • Taaladvies.net
21.3.7 Plaatsing van een element in de rompzin in plaats van in de afhankelijke zin
Verder lezen
1
Tot slot moeten hier nog gevallen uit gesproken taal vermeld worden waarbij een element dat zinsdeel is in een afhankelijke voorwerpszin (meer bepaald een dat-zin) op de eerste zinsplaats van de rompzin staat. Dit komt voor bij werkwoorden die een mening, een verwachting, een wens en dergelijke te kennen geven (bijv.
zeggen denken beweren beloven weten vinden hopen verwachten wensen willen
; het gaat hier vrijwel steeds om zogenaamde non-factieve gezegdes, dat wil zeggen gezegdes die de inhoud van de voorwerpszin niet als een feit vooronderstellen).
Net als dat bij enkelvoudige zinnen het geval is, kan er naargelang van de context en/of de situatie bij dit soort vooropplaatsing zowel sprake zijn van zinnen met een strikte links-rechts-volgorde (het voorop staande element is informatief minder belangrijk) als van zinnen met een afwijkende volgorde (het voorop staande element is informatief juist heel belangrijk). De (b) -zinnen van de volgende paren zijn voorbeelden van de bedoelde vooropplaatsing:
1aZe |beweert| dat ze Kees gisteren nog een brief geschreven heeft.
bKees |beweert| ze dat ze gisteren nog een brief geschreven heeft.
2aIk |denk| dat we pas morgen naar Amsterdam gaan.
bNaar Amsterdam |denk| ik dat we pas morgen gaan.
3aIk |vind| dat je zoiets gerust tegen hem kunt zeggen.
bTegen hem |vind| ik dat je zoiets gerust kunt zeggen.
In 1b staat het indirect object uit het middenstuk van de afhankelijke zin op de eerste zinsplaats van de rompzin. In de voorbeelden 2 en 3 geldt mutatis mutandis hetzelfde respectievelijk voor de zinsdelen naar Amsterdam en tegen hem.
Het volgende voorbeeld is wat ingewikkelder doordat er sprake is van een element uit een nog meer ingebedde zin dat in 4b in de rompzin van het hoogste niveau staat:
4aIk |dacht| dat je zei dat hij Suzanne niet wilde uitnodigen?
bSuzanne |dacht| ik dat je zei dat hij niet wilde uitnodigen?
Met haakjes kan de structuur van 4a als volgt weergegeven worden:
5Ik dacht [dat je zei [dat hij Suzanne niet wilde uitnodigen.]]= 4a
In 4b staat het lijdend voorwerp uit de tweede, meest ingebedde dat-zin op de eerste zinsplaats van de rompzin ik dacht.
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Een enkele keer kan een dergelijke constructie voorkomen bij een dat-zin die als onderwerp fungeert, bijv. in het volgende geval met een aanwijzend voornaamwoord op de eerste zinsplaats:
iaHet |dunkt| me dat dit onjuist is.
bDit |dunkt| me dat onjuist is.
2
De hier besproken zinsconstructie komt vooral voor bij vraagwoordvragen. Zulke gevallen verschillen in zoverre van de voorgaande, dat ze gerelateerd zijn aan voorwerpszinnen in de directe rede (dus geen dat -zinnen), die verplicht aan de rompzin voorafgaan: zie de (a) -zinnen hierna. Voorbeelden zijn:
6aWie zouden ze voor dat feestje uitnodigen, |dacht| je?
bWie |dacht| je dat ze voor dat feestje zouden uitnodigen?
7aWie is de kleinste van ons, |vind| je?
bWie |vind| je dat de kleinste van ons is?
8aWat heeft dat huis gekost, |zei| je?
bWat zei je dat dat huis gekost heeft?
9aWie heb ik gisteren ontmoet, |denk| je?
bWie |denk| je dat ik gisteren ontmoet heb?
Een voorbeeld met een meer ingebedde zin is:
10aWaarmee zouden ze de dijk afdichten, |zei| je dat je gehoord had?
bWaarmee |zei| je dat je gehoord had dat ze de dijk zouden afdichten?
Van het vragende wat voor (een) als deel van een naamwoordelijke of adjectivische constituent kan wat apart vooraan in de rompzin staan, bijv.:
11Wat |denk| je dat daar voor leuks aan is?
Ook alleen het eerste stuk van een (vragend) voornaamwoordelijk bijwoord uit een afhankelijke zin kan op de eerste zinsplaats van de rompzin staan, bijv.:
12Waar |hoop| je dat hij het verder over zal hebben?
13Waar |dacht| je dat ze dat vandaan gehaald hadden?
Opmerking
Verdieping
Opmerking
Een soortgelijke constructie is mogelijk bij betrekkelijke bijzinnen: het relativum vervult net als de elementen in de hierboven besproken gevallen een zinsdeelfunctie in een afhankelijke zin, maar anders dan in die gevallen staat het niet op de eerste zinsplaats van de rompzin, maar vormt het de eerste pool daarvan. Zie de volgende voorbeelden (de (a) -zinnen, die telkens bestaan uit twee zelfstandige zinnen, zijn bedoeld om het verschijnsel inzichtelijker te maken; het zijn geen directe tegenhangers van de (b) -zinnen - ze bevatten geen relativum -, maar de (b) -zinnen kunnen er wel aan gerelateerd worden):
iaDe brief - ik dacht dat je die meteen zou schrijven - is nog niet aangekomen.
b(De brief) |die| ik dacht dat je meteen zou schrijven, (is nog niet aangekomen.)
Wat de functie betreft is het betrekkelijke die in ib net als het aanwijzende die in ia lijdend voorwerp van de bijzin die van ik dacht afhankelijk is. Andere voorbeelden zijn:
iiaDe pastoor - ik weet dat jij het hem beloofd hebt - is overgeplaatst.
b(De pastoor) |die/wie| ik weet dat jij het beloofd hebt, is overgeplaatst.
iiiaHier vul je het woord in - je denkt dat het weggelaten is.
b(Hier vul je het woord in) |dat| je denkt dat weggelaten is.
ivaDie vrouw - jij denkt dat ik op haar verliefd ben - is mijn chef.
b(Die vrouw, ) |op wie| jij denkt dat ik verliefd ben, (is mijn chef.)
De bedoelde constructie is ook mogelijk wanneer het betrekkelijk voornaamwoord behoort tot een beknopte bijzin:
vaDe pachters - de regering zei hen te willen helpen - leiden een armoedig bestaan.
b(De pachters) |die| de regering zei te willen helpen, (leiden een armoedig bestaan.)
Constructies zoals de bovenstaande (b) -zinnen doen vaak nogal stroef aan; ze komen vooral voor in geschreven taal. Als alternatief kan men betrekkelijke bijzinnen gebruiken met van wie (als het antecedent een persoon aanduidt) of waarvan (als het antecedent geen persoon aanduidt; soms ook bij bij persoonsaanduiding (zie [8·7·3/1b])), waarbij het verwijzend element in de voorwerpszin behouden blijft. De bovenstaande zinnen luiden dan als volgt:
vi(De brief) |waarvan| ik dacht dat je die meteen zou schrijven, (is nog niet aangekomen.)
vii(De pastoor) |van wie| ik weet dat jij het hem beloofd hebt, (is overgeplaatst.)
viii(Hier vul je het woord in) |waarvan| je denkt dat het weggelaten is.
ix(Die vrouw, ) |waarvan| jij denkt dat ik op haar verliefd ben, is mijn chef.
x(De pachters) |van wie| de regering zei hen te willen helpen, (leiden een armoedig bestaan.)
Literatuur
    Versiegeschiedenis
    versie redacteur(en) datum opmerkingen
    2.1 januari 2019 Automatische conversie van ANS 2.0
    2.0 W. Haeseryn, K. Romijn, G. Geerts, J. de Rooij, M.C. van den Toorn 1997
    Interessante links